• 설교
  • 예화
  • 자료
  • 성경
1. Heb hart voor de stad: zet je in voor de samenleving(도시의 중심을 차지하라)/렘29:1-14,딤전2:1-6/네덜란드어(화란어)설교(Dutch Sermons)
1. Heb hart voor de stad: zet je in voor de samenleving(도시의 중심을 차지하라) 렘29:1-14,딤전2:1-6 1. Heb hart voor de stad: zet je in voor de samenleving Jeremia 29 : 1-14,1 Timoteüs 2 : 1-6 Liturgie: LB 301 Gebed Jeremia 29 : 1-14 Ps 85 : 4 1 Timoteüs 2 : 1-6 Gez 38 : 1 & 7 Jeremia 29 : 4-7 Ps 72 : 4, 9-10 Gebed Deel 1 NG 62 : 1-3 Deel 2 NG 62 : 4-6 Deel 3 NG 62 : 7-9 Offerande Ps 87 Gemeente van onze Here Christus, mijn broeder en mijn zuster, Bidden voor een stad? Wel eens gedaan? En waar maak je dat mee? De kinderen waren er duidelijk over. Dat gebeurt niet zo veel en zo vaak. Je moet niet alleen bidden voor jezelf, je eten en je werk, je gezondheid en welstand, dat was duidelijk. Bidden voor armen, zieken etc. Maar ook voor de stad om je heen. Welke steden dan? Niet voor dorpen? Zeker wel! Het gaat over samenleving. Veilige samenleving. Onlangs is een lijst bekendgemaakt van veilige steden en dorpen in Nederland. Het minst veilig zijn steden als Rotterdam en Amsterdam. Maar ook Gouda in de top tien. Waddinxveen staat van de 450 op plaats 227. Wij hebben de neiging ons terug te trekken uit steden: vies, onveilig etc. Het zal je maar gebeuren, weggepest te worden, of bedreigd. Bestolen en beklad. Ze links laten liggen? Trek je je terug? Of ga je mee met volkssentiment, verharding van bevolkingsgroepen? Onze samenleving is als Babel in meerderheid antichristelijk, met een hoog Babelgehalte: agressie, verharding, egotripperij, welvaartsstaat, smeltkroes van religies. Heb hart voor de stad: zet je in voor de samenleving! 1. bouw mee aan de samenleving (constructief), 2. bid mee voor de samenleving (meelevend). 1. Het zal je maar gebeuren! Ze moesten er op school niet aan denken. Dat wij hier uit Nederland weg moesten, en verplicht werden naar een ver en vreemd land te verhuizen. Bijvoorbeeld dat je in Rusland zou moeten gaan wonen, een totaal andere maatschappij, met een vreemde taal en een vreemde cultuur. Dat was gebeurd met de Israëlieten uit Juda. Een belangrijk deel van de inwoners moest verplicht emigreren naar Babel, in etappes. De belangrijkste mensen voor de maatschappij: bestuurders, bouwers, technici. Een aderlating. Mensen die ze goed konden inzetten, werden weggehaald met de bedoeling ze op te nemen in die cultuur. Nee, ze kwamen in Babel niet in een concentratiekamp, hoefden ook geen jodenster op. Maar ze waren ver verwijderd van hun moederland, en moesten aarden in een vreemd land: allochtoon. Dan ben je ver van huis! Het is niet moeilijk voor te stellen dat ze hier niet blij mee zijn. Wat moeten ze daar in de vrede. Het liefst een voorlopige verblijfplaats zoeken, om zo snel mogelijk terug te kunnen als de kust weer veilig is. Er waren profeten, zoals Chananja, die dat ook in het vooruitzicht stelden. Ze deden politieke voorspellingen. De macht van Babel wordt gebroken. Maak je niet ongerust, binnen twee jaar kun je weer terug. Blijf in tentenkampen wonen, binnenkort inpakken en wegwezen. Twee seizoenen en de feesttoeters kunnen van zolder. Jeremia schrijft een brief namens God, met een heel andere strekking. Hij stuurt die brief mee met een politieke missie die de koning van Babel gunstig moet stemmen. Twee jaar, vergeet het maar, het duurt minstens zeventig jaar! Daar maakt hij zich niet populair mee. Maar hij heeft het ook niet zelf verzonnen: Zo zegt God. Want dat deze Israëlieten hier terecht zijn gekomen, is niet toevallig. Het was zo door God gestuurd. Jaar in jaar uit had Hij gewaarschuwd dat zijn volk door het land zou worden uitgespuugd, als het doorging met Hem negeren en langs Hem heen leven, vol egoïsme en sociaal onrecht. Zeventig jaar krijgt het beloofde land rust. Het is dus niet zomaar voorbij. Ze moeten zich erop instellen dat ze voor een lange periode daar blijven wonen. Zeventig jaar, dat betekent dat de meesten zelf niet meer meemaken dat ze terugkeren naar hun vaderland. Toch is dat geen reden om te wanhopen en bij de pakken te gaan neerzitten. Geen game over, maar een reset. Wat ze thuis zouden doen, moeten ze ook hier gaan doen. Alle aandacht besteden aan het bouwen van een huis. Het bebouwen van akkers. Leg tuinen aan, omheinde boomgaarden, zodat je van de opbrengst kunt eten. Regel huwelijken en sticht gezinnen. Gewijde intimiteit. In plaats van dat je single blijft tot je terug bent. Sluit liever huwelijken in de vreemde, laat kinderen geboren worden. Zodat je in getal niet terugloopt. Jeremia rekent met drie geslachten. Als jullie niet werken aan gezinsvorming, komt straks een handjevol terug. Zo moet het niet, God heeft nog bedoelingen met hen. God wil jullie gebruiken op de plaats waar je bent gesteld. Hij wil de tijd goed benutten. Hij verwacht van zijn volk dat ze zich zullen inzetten voor de samenleving. Dat ze constructief zich opstellen, letterlijk en figuurlijk. Bouwen van huizen, aanleggen van tuinen, zodat het de bloei van de stad ten goede komt, en zo komt het hunzelf ook ten goede. Geef je krachten, zet je in, gebruik je energie voor de samenleving waar in je terechtgekomen bent. Ook al is die je vreemd. En wat het uitbreiden betreft: God wil dat zijn volk daar niet verschrompelt en zichzelf tot de kleinste minderheid maakt. Maar dat ze meer body krijgen. Hij wil bouwen aan de komende generatie. Bij terugkeer na zeventig jaar moet er geen oud en afgepeigerd stelletje vluchtelingen overblijven. Maar een vitaal en krachtig volk, dat met nieuwe energie, en goed opgeleid en toegerust kan gaan meewerken aan de opbouw in eigen land. De boodschap van Jeremia was echt tegendraads en moet ook wel ketters geklonken hebben. Want die week totaal af van wat God voorheen had voorgeschreven: het wijden van akkers, de opbrengst naar de tempel brengen, de huwelijken sluiten voor het aangezicht van God in Jeruzalem etc. etc. Dit paste helemaal niet bij wat tot dan toe gebruikelijk was. Het klonk als heiligschennis, alsof je ook gewoon God kon dienen in de vreemde, en het niet uitmaakte waar. Voor Israël was dat uiterst ongewoon. Maar ze bevinden zich ook in een uitzonderingssituatie. En God wil die volop gebruiken om mee te werken aan een zelfs God-vijandige samenleving, met een totaal andere cultuur, andere gewoonten. Je kunt ook in een vreemd land en een vreemde cultuur je God dienen als heilige mensen. Jezelf blijven en toch op de samenleving gericht zijn. Een prachtig voorbeeld hiervan is Daniël en zijn vrienden. Zij hebben de taak opgevat om zich in te zetten voor de samenleving. Zij trekken zich niet terug in afzondering, plaatsen zich niet in een isolement, en sluiten zich niet op. Zij zijn aan het hof beland bij de koning, blijven koosjer eten, dus onderscheiden zich wel. Maar ondertussen geven ze als allochtonen al hun krachten en energie aan de voor hen vreemde samenleving. En dat gaat niet onopgemerkt voorbij, Daniël krijgt een hoge ministerpost, samen met zijn vrienden. Geen assimilatie, maar integratie. Tot op zekere hoogte is het te vergelijken. Wij zijn niet in ballingschap, maar als christenen zijn we wel een minderheid, een steeds groter wordende minderheid in de samenleving. Nu zijn er ook profeten die er optimistisch in zijn: droomwereld, vrede, religieuze opleving. Je kunt jezelf eraan geven en overgeven, alsof het meer van hetzelfde is. Je kunt je terugtrekken en met de rug naar de samenleving gaan staan: christen in een klein hoekje, jij in mij; met angst en beven je terugtrekken op een klein eiland; muren, deuren en ramen dicht. Maar je kunt ook met je gezicht naar de samenleving toe gaan staan. Je inzetten en laten gebruiken. Zoals Jezus heeft gezegd: een licht uitstralen, een beetje zout betekenen voor de samenleving. Als christen ben je hier niet thuis, jou wacht een ander land, een ander leven, een Koninkrijk dat komt. Je bent hier wel op je plaats, je hebt hier je plek gekregen om te werken, mee te bouwen. Voeg je erin! Wees constructief! In precies dezelfde lijn schreef Paulus aan de Tessalonicenzen. Men dacht: Christus komt toch snel terug, dus geven wij er de brui aan. We laten de boel de boel en gaan rustig afwachten tot het zover is. Doe geen moeite, het is verspilde energie om mee te werken aan een verrotte en corrupte wereld. Dat zet toch geen zoden aan de dijk, en zijn druppels op een gloeiende plaat. Paulus protesteert heftig. Je weet niet wanneer Christus terugkomt, Hij houdt de spanning erin. Wie niet werkt, zal ook niet eten! Werk mee aan de samenleving, bouw op en geef je krachten. Zoals Luther naar alle waarschijnlijkheid heeft gezegd: Als Christus morgen terugkomt, plant ik vandaag nog een appelboompje. Trek je niet terug uit de samenleving. God wil niet dat wij sikkeneurig in een hoekje gaan zitten of de boel uit onze handen laten vallen in afwachting van de wereld die komt. Je kunt als kerk veel betekenen voor de omgeving, tot een zegen zijn. Stop er energie in. Zoek vrede voor de wereld om je heen. Daar werken we ook aan: oog hebben voor armen en minder bedeelden; meedoen aan de discussie over normen en waarden, en vrede zoeken voor de samenleving om je heen. Maar ook zelf op je eigen plaats en met jouw capaciteiten meewerken. Vrijwilligerswerk, EHBO, sportvereniging, buurtvereniging. We lopen het gevaar dat we zoveel taken binnen de kerk hebben of binnen kerkelijke organisaties, dat wij geen tijd hebben om relaties aan te gaan met buren en collega’s. Terwijl blijkt dat juist via relaties mensen tot geloof gekomen zijn. Laat je gezicht zien, zet je in voor anderen en geef daarmee een christelijk signaal af. Als je opgaat in het geheel, doe je net als ieder ander en werk je alleen voor jezelf, voor de opbouw van je gezin en carrière. Werk mee, vrijwilligerswerk, sportvereniging, laat je gezicht zien en steek je handen uit de mouwen. Genoeg mogelijkheden om je in te zetten. Voor armen, minder bedeelden. Hoe kunnen we dat doen? Er is nog genoeg op te bouwen, dat komt niet zomaar van de grond. Waar een wil is, is een weg. De roeping ligt er. In zichzelf gekeerd christendom is gedoemd om te verkommeren, te verleppen, of zoals je wilt: het vuur en elan en enthousiasme doven uit. 2. Werken in Babel en je krachten geven aan een vreemde God-vijandige samenleving, dat is nog daaraan toe. Maar Jeremia gaat, namens God, nog verder. Hij roept op om te bidden voor Babel! Babel is niet de leuke pleisterplaats aan de Eufraat, Parijs aan de Seine, waar je een weekendje doorbrengt. Het is nota bene de stad waarin menigeen niets met de God van Israël te maken wil hebben. Tot in het laatste bijbelboek het beeld van de tegenbeweging van God, de stad van de mens, met zijn eigen religie, wetten, normen en waarden. En ook nog eens een vijandig regime dat volksverhuizingen laat plaatsvinden, zoals altijd dictators hebben gedaan, om controle te houden. Moeten wij bidden voor die stad en samenleving? Wat hebben wij met die mensen? Het is ongehoord in Israël, deze oproep om voor heidenen, ongelovigen te bidden. Ook dit is tegendraads: niet denken in wij en zij, antithese, hier de good guys en daar de bad guys. Niet bidden tegen, maar bidden voor! Er zijn ook wel ander geluiden in de Bijbel te vinden. Psalm 137: By the rivers of Babylon, wraak tegen de wreedheid van Babyloniërs. Het hartstochtelijk gebed om vernietiging van Babels nageslacht. Je denkt eerder aan het recht tot krenken dan aan een plicht tot bidden. Dit gaat opnieuw tegen de natuur van ieder in. Tegen haat en nijd gevoelens, tegen wraak en strijd. Bid voor de stad en haar bloei. Vraag vrede voor Babel. Een opmerkelijk gebed. Het laat zien dat God Zich niet heeft teruggetrokken uit die samenleving, ook al houdt die zelf geen rekening meer met Hem. Evenals dat voor Nineve gold, geldt het ook voor Babel. Hoezeer ook antigoddelijk en tegen Hem in, het blijft zijn wereld, het blijven zijn mensen. Hij gaat een volstrekt eigen gang. Hij is de God van de hemelse strijdkrachten en bindt Zich niet aan welk nationaal leger dan ook! Hij is de God van hemel en aarde, Hij is niet alleen bereikbaar in Jeruzalem. Overal is Hij aanroepbaar en te vinden. Ook in Babel laat Hij zijn volk niet los. En Hij heeft hart voor de stad. Hij geeft zelf om de steden. Ze gaan Hem aan het hart, mensen en dieren, Hij telt ze één voor één. Het geldt evenzeer onze steden. Steden bepalen het gezicht van de wereld. Ze hebben een slechte reputatie, maar God verliest ze niet uit het oog. Zo lief heeft God de wereld met al haar steden gehad, dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven. Vraag vrede voor Babel, dat zal je uiteindelijk zelf ook ten goede komen. Zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei. Liever sjalom, dan hamas. Liever sjalom: vrede en heelheid, harmonie, goed met elkaar omgaan, dan hamas: geweld, terreur, haat en nijd zaaien. Dat komt de stad en jezelf als bewoner ten goede. En ten diepste gaat het in Babel ook om de aanwezigheid van Juda als drager van de Messias. Christus moet uit dit volk voortkomen. Hij is de drager van de Vrede. Hij is de Vrede zelf. Als zijn volk bedreigd wordt en in de verdrukking komt, staat de komst van Christus ook op het spel. En in Hem de vrede die Hij moet geven voor niet een volk, maar alle volken van de wereld. Zolang zij vrede hebben, hebt u ook vrede, en kan God zijn werk voortzetten en aan de toekomst werken. Daniël doet het, bidden driemaal per dag met de deuren open. Zelfs al maken ze het hem tegen en wordt daar juist de aanval ingezet. De jaloezie leidt tot afgluren om hem te betrappen op het gebed. Maar Daniël houdt aan, ondanks de dreiging. Hij bidt niet slechts voor zichzelf en eigen volk eerst. Hij bidt ongetwijfeld voor de samenleving waarin hij is geplaatst. Hij toont zich een betrokken bestuurder die God betrekt in alles wat hij iedere dag tegenkomt. Op het moment dat je zelf bidt voor die anderen om je heen en de mensen uit je omgeving, zal dat ook je houding veranderen. Zelfs als het gaat om mensen die je vijandig gezind zijn en die je bedreigen, waar een dreiging van uitgaat. Ik noemde het voorbeeld van Marokkanen die uitscholden bij de uitgang van de kerk, en het op de vuist komen met een paar van hen en kerkgangers! Zegen wie je vervloeken, bid voor wie je vervolgen. Jezus zelf ging ook die grenzen over. Hij zocht de steden op: Jeruzalem, Betsaïda, Kafarnaüm, Jericho etc. Uit zijn houding blijkt dat Hij niemand afschreef en de steden niet links liet liggen. En niet te vergeten mensen uit een gehate samenleving, de Samaritanen even verderop. Paulus doet hetzelfde. Hij gaat voor steden: Athene, Rome, om zoveel mogelijk mensen te bereiken. In de brief aan Timoteïs roept hij op te bidden voor alle overheden. Niet één uitgezonderd. Alle hooggeplaatsten, mensen in een bijzondere positie. Dat waren bepaald niet altijd vredelievende mensen, in die tijd was er ook al sprake van joden- en christenhaat. En de bestuurders waren de gelovigen niet altijd goedgezind. Bid voor de steden om je heen. Veilige steden en onveilige steden. Noem ze heel concreet. En wat er zoal speelt. Als God de steden niet afschrijft, mogen wij het ook niet doen en ons er niet uit terugtrekken of de steden ontvluchten. Wij trekken ons liever terug uit veiligheid of in een buitenwijkmentaliteit. Is in een grote stad de zonde vaak niet uitvergroot zichtbaar? De problematiek in de steden is vaak groter, intensiever. Het komt er zeer op aan. Laat dat niet alleen aan sociaal ingestelden en uiterst rechtsen over, al vorm je een kleine minderheid. Onbegonnen werk, een gebied waar je als kerk niets te zoeken hebt? Afstand houden maar? Juist daar worden we geroepen. Als je je er niet vestigt, of eruit wegtrekt, bid dan op zijn minst voor deze steden, voor de spanningen tussen culturen. Wat in Frankrijk gebeurde afgelopen jaar, toen de spanningen hoog opliepen tussen bevolkingsgroepen, kan hier zomaar gebeuren. Ik weet, je wordt het soms moe: al dat nieuws de laatste jaren over allochtonen, multiculturele samenleving. In plaats van alleen te praten, te discussiëren en te roepen hoe erg het allemaal is, kun je er beter gericht om bidden. Maar er is ook veel meer te doen en op te bouwen in onze samenleving! Wij leven zelf min of meer in de stad, de Randstad. Vergeleken bij grote gebieden in andere werelddelen, leven wij in Nederland in één grote stad. Maak je gebed concreet voor de samenleving: zondagsrust, discussie waarden en normen, jeugdzorg, armoede/eenzaamheid. Bidden voor een stad en samenleving: ● voor buren en vloekende sportvrienden; ● dat mensen niet omkomen in eenzaamheid en doodgaan zonder dat er iemand bij is; ● mensen zich niet van ellende in drugs of alcohol storten of zelfmoord plegen omdat er geen deur voor hen opengaat; ● dat auto’s niet met een moordende snelheid de straat in- en uitrijden, en kinderen niet met gevaar voor eigen leven spelen of buiten lopen; ● dat ouderen niet uit angst ’s avonds binnen blijven; ● dat mensen elkaar niet opzij duwen in de winkel of personeel als oud vuil behandelen; ● dat iedereen elkaar niet uit de weggaat of met een zuur gezicht aankijkt; ● dat niet de laatste stukken natuur verwoest worden omdat er weer een weg of gebouw bij moet; ● dat andersgekleurde en -geaarde mensen niet behandeld worden als verkeerd; ● voor fanatieke moslimleiders die het Westen en het christendom de oorlog verklaren. Heb hart voor de samenleving waarin je woont, werkt en je ontspant. Ga in liefde relaties aan. Bouw aan de samenleving, zet je in, en bid voor je eigen stad en dorp. Heeft dat bidden zin? Heeft het effect? Helpt dat? Er gaat zoveel mis en stuk. En de praktijk is zo weerbarstig. En er komt zo bar weinig van terecht. Je zou er moedeloos van worden. Zeker in de ogen van de ballingen toen in Babel. Uitzichtloos, menselijkerwijs. Geen beginnen aan. Maar het gebed heeft zin. Jeremia dringt erop aan en belooft namens God verhoring. Dat is prachtig uitgedrukt in vers 11. God heeft een goed plan, een plan van vrede en niet van onheil. Aan Israël belooft God dat er terugkeer komt, een wending in het lot. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk. Ik zal je een hoopvolle toekomst geven. Er is toekomst. Jullie zullen Mij aanroepen en tot Mij bidden, en Ik zal naar jullie luisteren. Jullie zullen Mij zoeken en ook vinden, als jullie tenminste Mij zoeken met hart en ziel! Christus heeft Zich gegeven voor het grote Babel. Hoezeer de stad ook in duigen valt en het grote Babylon op den duur zich van Hem afkeert. Laat je niet misleiden door gemakkelijke en optimistische verhalen. Het christelijk geloof geeft geen enkele garantie dat moeite je bespaard blijft. Maar wel de garantie dat zijn gekoesterd plan uitkomt. Een hoopvolle toekomst. Uiteindelijk brengt Hij de stad van vrede op aarde. Een multinationale stad. Hij schrijft de steden niet af. Hij schrijft de volken niet af. Hij schrijft ze op. Op zijn rol waarop Hij de volken schrijft: Egypte en Babel. Dat is onuitsprekelijk bemoedigend. Hart voor de nieuwe stad, het hemels Jeruzalem, als stad van vrede te begroeten. Voor altijd sjalom in een nieuwe samenleving, waar alle stedelingen zullen groeien, waar de vrede volop zal bloeien! Amen.
2. Uitgekozen om vreemdeling te zijn met uitstraling(카리스마로 낯선 자들을 만나라)/시119:6-7,시40:4,벧전1:1-12/네덜란드어(화란어)설교(Dutch Sermons)
2. Uitgekozen om vreemdeling te zijn met uitstraling(카리스마로 낯선 자들을 만나라) 시119:6-7,시40:4,벧전1:1-12 2. Uitgekozen om vreemdeling te zijn met uitstraling Ps 119 : 6-7,1 Petrus 1 : 1-12 Liturgie: LB 301 Wet Ps 119 : 6-7 1 Petrus 1 : 1-12 Ps 40 : 4 1 Petrus 1 : 22-25 NG 62 : 7, 8, 9 1 Petrus 1 : 1-3 Gez 37 : 1-2 Bediening van de doop Gez 35 : 1 & 3 Offerande LB 437 Gemeente van onze Here Jezus Christus, mijn broeder en mijn zuster, Even in de vreemde, maar dan weer thuis. Een mens wil graag thuis zijn. Thuiskomen, heerlijk is dat. Zich thuis voelen, geworteld. Er gaat niets boven thuis. Als je je niet thuis voelt, kun je dan wel gelukkig zijn? Hoe kun je ooit gelukkig geprezen worden als je vreemdeling bent!? Dat doet Petrus: je bent uitgekozen om vreemdeling te zijn. Prijs God erom! Vreemd, is het niet? Een christen wordt op meerdere plaatsen in het Nieuwe Testament vreemdeling genoemd. Helemaal in het verlengde van vader Abraham, die ook vreemdeling werd genoemd. Je bent hier niet thuis op deze aarde, je wortels liggen elders, en je zoekt je heil ook ‘elders’. Voelt u, voel jij dat zo, dat je hier vreemd bent? Of voel je het bij vlagen? En mag je je soms niet je in deze wereld thuis voelen? Het is toch ook Gods wereld en zijn schepping. Moet je je dan terugtrekken uit dit bestaan en je afzijdig houden? Een outsider worden? Klinkt dat niet negatief: vreemdeling te zijn? Werkt het niet vervreemdend? In de brief van Petrus komt het vreemdelingschap van christenen naar voren. Maar het is beslist niet negatief. Het is juist heel positief bedoeld. We zullen merken dat het ook niet betekent dat je je afzijdig houdt, je terugtrekt, en je opsluit in eigen kring. Integendeel, zou ik zeggen. Petrus ziet het vreemdelingschap juist als een uitdaging voor je omgeving. Het betekent dat je opvalt als kind van Vader. Als mensen vreemd vinden dat je erop ingaat. Hij ziet het als een kans. Je bent hier niet thuis, je vaderland is homeland - de nieuwe aarde. Maar je bent hier wel degelijk op je plaats. Uitgekozen om vreemdeling te zijn met uitstraling: 1. herboren, 2. hooggeplaatst, 3. hoopvol. 1. Petrus stuurt een rondzendbrief, bedoeld voor verschillende gemeenten. Als je de gebieden op de kaart bekijkt, midden in Turkije, boven het Taurusgebergte, valt het meteen op. Je merkt dat het eerstgenoemde Pontus en het laatstgenoemde Bitynië naast elkaar liggen. Je kunt een cirkel trekken. Het is als het ware een postcode: het laat de route zien waarlangs de bezorger moet gaan. Silvanus had al eens eerder zo’n brief bezorgd en gaf dan in elke gemeente de nodige toelichting en toespitsing. Petrus stuurt de brief vanuit Babylon, helemaal in het oosten. Dat doet sterk denken aan de brief die Jeremia stuurde aan de ballingen in de verstrooiing. Niet alleen qua vorm, ook qua strekking en inhoud: zoek vrede voor de stad waarin je woont, ga niet in je omgeving op (assimilatie), maar ga er wel op in (integratie). Vreemdelingen in de verstrooiing! Deze eerste christenen woonden in het gebied waar ook Joden leefden, in de diaspora. Je kunt opmaken uit de brief dat ze niet voormalige Joden waren die christen waren geworden, maar heidenen uit dat gebied. Hoe kan Petrus ze nu vreemdeling noemen? Want ze kwamen daarvandaan, het is hun leef- en woonomgeving, waar ze hun roots hebben. Ze vreemdeling geworden, omdat zijzelf veranderd zijn. Zij zijn gaan opvallen. Zij zijn anders in het leven komen te staan. Ze hebben gebroken met tradities en zich een nieuw leefpatroon aangemeten. Zij zijn andere mensen geworden; als herboren. Petrus noemt dat opnieuw geboren worden! En hij prijst God erom. Hij zet hoog in. Het is geweldig dat jullie andere mensen zijn geworden. Een nieuwe geboorte, wedergeboorte, het betekent dat God een nieuw begin heeft gemaakt. Daar was niemand ooit zelf opgekomen. Een nieuw begin, een sprekend begin. Want hoe zijn zij veranderd? Door wat zij gehoord hebben. Zoals Petrus het aan het eind zegt: Jullie zijn verwekt door het woord van God dat je is gebracht. Omdat ze hoorden van Christus’ opstanding uit de dood. Verder kijken dan de dood, wie van hen had dat ooit gedaan? Maar zij hadden zich gewonnen gegeven aan dat geweldige nieuws; het zaad was in hun hart gelegd en ontkiemd. Het betekende een doorbraak, een verandering van binnenuit. Van toen af stonden ze anders in het leven, en gingen ze heel anders tegen het leven aankijken. Petrus weet waar hij het over heeft. Hij zegt dan ook: wij! Hij sluit zichzelf in. Hoe stond hij er zelf niet voor: zijn Heer verloochend tot driemaal toe, en totaal ontgoocheld door diens kruisdood. Helemaal vastgelopen, wat had hij nu bereikt? Maar wat gebeurde er toen het bericht doorkwam dat Jezus was opgestaan en aan Petrus verscheen? Toen werd alles totaal anders. De horizon trok open. Hij ging heel anders tegen Christus en het bestaan aankijken. Hij werd als herboren. Hij begon aan zijn tweede jeugd. Zijn bijnaam kwam naar voren: Petrus, rots. De rotsvaste overtuiging dat Jezus de Zoon van God is, is hierbij voorgoed bevestigd. En op deze rots zal Hij zijn gemeente bouwen. Niet voor niets stelt Petrus zichzelf ook zo voor: niet met zijn doopnaam, Simon, maar met zijn bijnaam, door Jezus zelf gegeven. Petrus is zelf herboren. Dat is op geen enkele manier aan hemzelf te danken; maar aan de barmhartigheid van God. God liet zijn hart spreken. En daarin gaat Petrus naast die eerste christenen staan. Het is dankzij Gods barmhartigheid dat Hij ook bij jullie is uitgekomen. Vandaar die wonderlijke combinatie: uitgekozen vreemdelingen. Mensen om je heen vinden het vreemd, maar jullie zijn vreemd omdat God een nieuw begin met jullie heeft gemaakt. Er was genoeg reden om in mineur te raken en je minderwaardig te voelen, omdat jullie door de omgeving niet werden geaccepteerd, en als vreemd werden afgeschilderd. Maar laat je daar niet door leiden, je bent gekozen om vreemdeling te zijn en als herboren in het leven te staan. En wij zelf? Kunnen wij onszelf eraan toevoegen? Mag je van jezelf zeggen dat je opnieuw geboren bent? En wanneer is dat dan gebeurd? Opnieuw geboren laat zien dat God je een nieuw begin geeft. En dat gebeurt nog steeds via de woorden die op je afkomen met dezelfde unieke boodschap van de opstanding, van overwinning op de dood en op alle schuld. Het betekent dat het er in je leven niet om draait wat je bezit, wat je hebt gehad, wat je hebt meegemaakt, wat je hebt bereikt en ooit zult bereiken. Dan wil je jezelf maken, je image opbouwen. Niet wat je hebt, maar wie je bent in verbinding met Christus. Het nieuwe begin dat Hij je leven wil maken. Niet je eigen ik, je eigen leefpatroon, je eigen leefwereld, jezelf waarmaken zijn bepalend, maar wie je bent dankzij Hem. ‘Door zijn genade ben ik wie ik ben.’ Christus is gekomen om voor mij het leven te zijn. Hij geeft mijn leven inhoud. Wie opnieuw geboren wordt, wil op Hem afgaan, wil alles van Hem verwachten, uit Hem leven. Dus hoef ik niet zelf wat van mijn leven te maken. Daardoor ga ik anders denken, anders verlangen, stel ik andere prioriteiten. Dus niet wat ik moet bereiken om hogerop te komen, maar wie ik ben dankzij Christus die naar mij is afgedaald. Van Hem uit worden we nieuw in denken en doen en verlangen. Dat is een levenslang proces. De doop laat dat zien. Niet uit jezelf, maar God maakt een begin. In de doop wordt die nieuwe geboorte uitgebeeld en beloofd. God wil dat gaan waarmaken in je leven. Dat betekent niet dat die nieuwe geboorte al in de wieg moet plaatsvinden, maar in het volle leven. Hoe weet je of je geboren bent? Door een geboortebewijs, certificaat, getuigen bij de geboorte. Dat je ademt, ziet, hoort, voelt, denkt. Hoe weet je of je herboren bent en wordt? Als je verlangt naar God, hunkert naar zijn genade, zijn lucht inademt, opleeft als je zijn stem hoort, honger hebt naar woorden van God, afgaat op Hem, je laat leiden door Hem. Opnieuw geboren worden begint bij God en niet bij jezelf, het maakt je afhankelijk van en aanhankelijk aan God. Herboren zijn en worden, dat maakt alles anders. Dat is hetzelfde als: kind van God te heten en Hem Vader te noemen. God maakt het begin, alle nadruk ligt op zijn creativiteit. Hij blijft de Bron, als je uit Hem leeft, ben je vreemdeling en val je op. Begint dus met de verbinding met God. Dat kan niet anders dan ook je houding ten opzichte van anderen beïnvloeden. Als je uit Hem leeft, kan het niet anders of dat zal anderen opvallen. 2. Wanneer val je op in onze wereld? Als je een bijzondere prestatie behaalt, een sportprestatie bijvoorbeeld met een eremetaal. Als je je een doel stelt dat je weet te halen. Dan ben je iemand! Je wordt gemeten aan wat je kunt halen en bereiken. Een andere manier om de aandacht te trekken is met wat je bezit en met wat je om je heen weet te verzamelen. Jezelf waarmaken, jezelf promoten, profileren. In de picture komen. Dat geeft je een bijzondere positie. Petrus zet een heel andere toon: niet wat je weet te bereiken, is zijn invalshoek, maar wat je ontvangt. Deze positie kun je nooit bereiken uit jezelf, die kun je alleen ontvangen. En wat een bevoorrechte positie! Daarmee wil hij de eerste christenen bemoedigen. Want reken maar dat ze het niet makkelijk hadden in hun omgeving. Sinds zij christen zijn geworden, is het er alleen maar moeilijker op geworden. Uit alles blijkt dat ze tegenwerking kregen, vreemd werd gevonden, genegeerd, geboycot. Het kan heel goed de positie die ze hadden in die samenleving, hebben aangetast. Zoals mensen door christen te worden, zakelijk gezien erop achteruitgaan, of opeens worden buitengesloten en er niet meer bij horen. Door vrienden worden gemeden, omdat die de overtuigingen achterlijk vinden en achterhaald. Petrus bemoedigt met de positie vanuit God. Jullie zijn voorbestemd! Letterlijk: van tevoren gekend. Dat is maar niet een kwestie van voorkennis hebben. God had je al veel langer op het oog. Er gaat een wereld aan vooraf! Zelfs voor de grondlegging van de wereld was Hij al met je bezig. Het is niet toevallig dat zijn oog op je is gevallen. Er zit een plan achter. Heel doelgericht is God bij je uitgekomen. Vanuit een ver verleden, voordat je was geboren, had Hij je al in gedachten. Dat is het werk en het ingrijpen van God je Vader. Hij heeft je gewild, je bent door Hem voorbestemd er te zijn. Hij geeft je daarin houvast en zekerheid buiten jezelf. Niet alleen de Vader, ook de Geest is hierin actief geweest. Dat God je weet te bereiken, is altijd te danken aan zijn Geest. Hij is de drijvende kracht. Door die Geest worden de woorden levend, vitaal en krachtig, worden ze verkondigd. Christus mag duizend keer zijn opgestaan, maar als het niet verkondigd was en meer dan 2000 jaar had overbrugd in de tijd, zou het nog vergeefs zijn geweest (Luther). Als de Geest het Woord in je laat ontkiemen, zodat je je laat gezeggen, word je geheiligd. Heilig betekent: in Gods invloedssfeer getrokken worden! Apart gezet, maar dan vooral op God betrokken, zodat je voor Hem wordt gereserveerd. Sterker nog, Hij wil je in dienst nemen. Je wordt zo aangetrokken door Gods Geest, zijn aantrekkingskracht en overtuigingskracht is zo sterk, dat je je leven op God gaat betrekken en Hem erin gaat betrekken. Dat is heiliging. God heeft een doel met je, en neemt je mee onderweg naar zijn toekomst, en vormt je onderweg. En dat gaat weer gepaard met gehoorzaam zijn aan Christus. Als Hij het voor het zeggen heeft, laat je zijn woorden niet voor wat ze zijn, maar wil je je ook door Hem laten gezeggen. Gehoorzamen zit ons niet in het bloed. Het betekent luisteren voordat je je eigen mening geeft; afgaan op wat Hij zegt in plaats van op je eigen gevoel. Sterker nog, vrolijk doen wat Hij vraagt. Niet met tegenzin, maar vanuit liefde voor Hem en overgave aan Hem. Als je je laat gezeggen door Christus en je door Hem laat aanspreken, kan het niet anders of dat stuit ook op tegenstand van je omgeving. Dat begint al in je eigen hart, maar evengoed bij anderen die zich erover verbazen dat je nog steeds zijn woorden liefhebt. Aandacht voor God, hart voor een ander, zelfs je vijand; niet oog om oog, tand om tand, de minste willen zijn, offerbereid, trouw blijven, de waarheid liefhebben, niet sjoemelen, eerlijke handel; niet carrière voorop en zo hoog mogelijk op de ladder. Met zijn bloed besprenkeld worden! Dat doet denken aan de doop en besprenkeling met het bloed van verbond. Maar hier is het beeld toch anders bedoeld. Het heeft meer te maken met ingeschakeld te worden als een priester. Priesters werden ingewijd met besprenkeling van bloed. Het laat zien dat zij aan God gewijd zijn en door hem in dienst genomen worden. De lichaamsdelen die zij het meest gebruikten voor de priesterdienst, werden met bloed besprenkeld. Een christen wordt in dienst genomen als priester. Dat is dat je leven gewijd wordt aan Hem, dat je niet voor jezelf leeft. Het offer van mijn leven aan Hem wijden, dus niet gericht op mijn prestaties, wat ik weet te verdienen, te bereiken en te halen. Het belangrijkste is of ik in dienst van God sta, of ik mijn doen en laten op Hem betrek. Niet of het mij lukt, of ik bereik wat ik wil? Nee, Hij neemt mij in dienst, hoe ik het er ook van afbreng, wat ik ook bereik of niet bereik. Dat geeft rust! Het valt op of je je leven wijdt aan jezelf, en je laat bewieroken en wilt geuren en kleuren met je bezit of kinderen. Of dat je erkent: alles is en blijft van Hem en Hij neemt mij met mijn mogelijkheden en beperkingen in dienst. Dat je in alles de richting van God zoekt, hoezeer je ook geneigd bent ervan af te wijken. Dat je zijn naam eraan verbindt, zijn naam erbij noemt. De naam van God verbinden aan de wereld die van Hem is en aan wat je doet. Alles onder de noemer zetten van zijn Naam. Dat valt op. Kortom: wat telt? Niet wat je hebt en wat je kunt, wat je al dan niet weet te bereiken. Maar wat je ontvangt en vervolgens op God betrekt. Je ontvangt die positie van God en kunt die niet zelf bewerken. Je kunt je niet tot dat niveau opwerken. Je kunt er alleen dankbaar uit leven. Je kunt er ook voor kiezen om die positie te verwaarlozen, en mee te doen met wat telt en geldt in de wereld om je heen. Maar wat voor Petrus geldt en telt, is: genade en vrede in overvloed. Dat staat voorop. En dat hebben wij het meeste nodig. Vermenigvuldigen van genade en vrede. Wij zien vaak graag kracht en getal vermenigvuldigd, image verbeterd, in plaats van dat genade van God vermenigvuldigd wordt. Maar dat is het fundament waar je op staat, en het is de kunst dat te ontvangen, en omhelzen dat God het beste met je voorheeft en je ondanks alles helemaal neemt zoals je bent. En zijn vrede vloeit daaruit voort. Alleen dat zal je ook werkelijk alleen kunnen bevredigen. Dat maakt een mens gelukkig. Dat is uniek. Die bijzondere positie maakt je vreemdeling. 3. ‘Ik hoop het maar. Ik hoop van wel.’ Als wij het woord hopen gebruiken, klinkt de onzekerheid erin door. ‘Ik help het je hopen; ik hoop er het beste van...’ Hoe zou dat komen? Is het niet omdat er zoveel hoop de bodem in is geslagen? De hoop bleek niet gegrond te zijn. Als een doos waar de bodem uit is gehaald. Teleurstelling op teleurstelling, na zoveel vredesinitiatieven. De hoop is daardoor afgezwakt. Je bent voorzichtiger, hopen vindt geen grond. En sterft langzamerhand. Er is zoveel uitzichtloos: jongeren en suïcide (Trouw). Ze durven niet meer te hopen. Heel anders dan in de Bijbel. Daarin is hopen: zeker weten, sterke verwachting hebben, vurig uitzien naar, geduldig wachten naar wat komt of is beloofd. Hopen in de Bijbel is gegronde verwachting. Want die is gebaseerd niet op een vage voorspelling, of een optimistisch voorgevoel, maar op wat God heeft gezegd. Je kunt lang wachten, je geduld kan op de proef worden gesteld; de hoop kan tanen, maar uiteindelijk doet God wat Hij zegt en maakt Hij zijn beloften waar. Een levende hoop! Een hoop die doet leven. En dat wekt vervreemding in onze omgeving. Mensen vinden het vreemd als je zo zeker bent en zo hoopvol, vol verwachting. De hoop kán sterven. Daar wist Petrus alles van. Hij was er hopeloos aan toe na de verloochening, wanhopig na de kruisiging. De hoop was op sterven na dood. Totaal uitgeblust. En dat gold niet alleen voor Petrus, evengoed voor de andere apostelen en de Emmaüs¬gangers. Maar die hoop is tot leven gebracht door Christus zelf. Toen Hij opstond uit de dood kwam ook de hoop tot nieuw leven! Niet alleen door zijn verschijning, maar vooral omdat Hij sprekend een nieuw begin maakte. Was het niet voorzegd, dat Hij moest sterven en opstaan? De hoop leek op sterven na dood, maar was gegrond in wat God had gezegd. Daar bouwt Petrus nu op voort. Hun hoop was tot leven gebracht door de opstanding, omdat Christus voorgoed bewezen heeft dat de hoop op God gerechtvaardigd is! Vraag het maar hoe hoopvol mensen zijn voor de toekomst. Je zult schrikken van de doemscenario’s, van de angstige en onzekere antwoorden. Vooral niet te ver de toekomst in kijken. Niet te veel nadenken over wat er gebeurt en kan gebeuren. We leven in het hier en nu. Maar als je in hun hart kijkt, zijn ze niet hoopvol gestemd. Mensen stellen teleur, de wereld om je heen spiegelt vaak voor dat er beter op wordt. Maar veel verwachtingen worden de bodem in geslagen. Alleen door wat God zegt en belooft, kan de hoop tot leven komen. Niet op grond van wat ik voel en meemaak en inschat vanuit de wereld om mij heen, of vanuit mijn persoonlijke omstandigheden. Die kunnen je zelfs een hopeloos gevoel geven. Maar de levende hoop vanuit Gods Woord is gegrond in wat Hij zegt. Het draait niet allemaal uit op niets, het loopt uit op een wereld die boven verwachting is. Het mooiste moet nog komen. Je bent hier niet thuis, je bent vreemdeling als kind van God, omdat je het leven met Hem nog niet ten volle kunt meemaken. Er is nog zoveel zonder God en zonde van mensen en wat er al niet stuk gaat! Hoop geeft uitzicht en die toekomstverwachting verandert je leven in het hier en nu, bepaalt het, stimuleert het. Die eeuwig rijke God moge ons reeds in dit leven een vrij en vrolijk hart, en milde vrede geven; blij vooruitzicht dat mij streelt. Die hoop is tot leven gebracht door de opstanding van Christus. Als een licht in deze donkere wereld. Dat doet soms pijn aan je ogen. Daagt ook uit. Doet je relativeren, en doet anders kijken, maar moet ook voortdurend worden gevoed door de woorden van God zelf, anders ga je af op je eigen inschatting. En al onze ervaringen en teleurstellingen doen de hoop weer sterven. Wil die tot leven komen, dan moet je Hem weer aan het woord laten komen. Christus de Levende maakt alles anders. In wereld van terreur, armoede etc. komt Hij binnen met een levende hoop: Ik ben de Opstanding en het Leven, Ik beheer de sleutels van de dood. Zijn hoop doet leven. Die is als een springende fontein die niet kan stoppen. Die komt tot leven door de genade van God. Als je je laat vervullen met de hoop op Christus, om alles van Hem te verwachten, moet je opnieuw geboren zijn. Je bent wedergeboren als je je hoop vestigt op Hem. Een wedergeboren mens zoekt telkens weer de Bron van leven op. Uit God zelf ontspringt die levende hoop als een fontein. Als je zelf leeft uit God, kun je zo hopen. Hoe weet je dat zo zeker? Niet omdat je zelfverzekerd bent, maar ik ben zeker van God. Dat valt op. Dat is vreemd. Een christen blijft vreemdeling. Hier is het niet. Hoeveel is er niet hier gebouwd wat uiteindelijk toch is afgebroken. Wat zich sierde met de naam christelijk en blijvend zou zijn. Het verdween en stelde teleur. Illusies! Grootse plannen voor verovering van de wereld voor Christus lopen uit op verovering van de christenen door de wereld. Als je alleen voor dit leven je hoop op Christus stelt, ben je de beklagenswaardigste onder de mensen. Het wezenlijke moet nog komen. Vreemdeling met uitstraling!? Waarom? Doordat God zelf de Bron is van nieuw leven. Door de hoge positie die Hij je verleent. Door de hoop die Hij je geeft. Vreemdelingschap is niet negatief, maar positief. Uit God, in verbinding met Christus. Laat Hij in dit leven reeds een vrij en vrolijk hart geven. Maar het mooiste, het echte leven moet nog komen. Je leeft per slot van rekening niet maar een keer! Dat wekt bevreemding.. De dag voor zijn terechtstelling preekte Bonhoeffer voor zijn medegevangenen over de woorden van 1 Petrus 1:3. Wij zijn wedergeboren tot een levende hoop. Met opgeheven hoofd ging hij zijn einde tegemoet. Blijkbaar besefte hij wat het inhield toen de soldaten hem kwamen roepen. Dit is het einde, voor mij het begin. De kamparts heeft hem gezien: voordat hij zijn gevangeniskleding uittrok, neergeknield in innig gebed tot zijn God. De manier van bidden, zo vol overgave, zo zeker van verhoring heeft mij zeer diep aangegrepen. Hieruit sprak een gegronde verwachting en de hoop die leven doet. Amen.
3. Dat God anders is, daar wordt een mens anders van(하나님이 다른 사람은 사람도 다른 사람이다)/레19:1-18,시19:5-6,눅12:35-48,시37:2-3,벧전1:13-21,시147:4,벧전1:13-17,시145:2,3,5/네덜란드어(화란어)설교(Dutch Sermons)
3. Dat God anders is, daar wordt een mens anders van(하나님이 다른 사람은 사람도 다른 사람이다) 레19:1-18,시19:5-6,눅12:35-48,시37:2-3,벧전1:13-21,시147:4,벧전1:13-17,시145:2,3,5 3. Dat God anders is, daar wordt een mens anders van Leviticus 19 : 1-18,Ps 19 : 5-6,Lucas 12 : 35-48,Ps 37 : 2-3,1 Petrus 1 : 13-21,Ps 147 : 4,1 Petrus 1 : 13-17,Ps 145 : 2, 3, 5 Liturgie: LB 457 Leviticus 19 : 1-18 Ps 19 : 5-6 Lucas 12 : 35-48 Ps 37 : 2-3 1 Petrus 1 : 13-21 Ps 147 : 4 1 Petrus 1 : 13-17 Ps 145 : 2, 3, 5 Offerande NG 76 Gemeente van onze Here Jezus Christus, mijn broeder en mijn zuster, Madonna heeft in verschillende landen, Rusland en Italië voor ophef gezorgd. Zoiets kun je met haar verwachten: shockeren, uitdagen, opvallen, dat is haar stijl. Binnenkort treedt ze ook in Nederland op in het kader van haar Confessions Tour. Tijdens het lied Live to Tell hangt ze aan een kruis met een doornenkroon op haar hoofd. Volgens haar niets mis mee, dat moet kunnen. De jonge SGP’ers hebben het op zich genomen de publiciteit te zoeken. Ze hebben minister Donner gevraagd het schokkende tafereel te verbieden. Daarmee sluiten zij zich aan bij een wereldwijd geluid dat medechristenen lieten horen. Deze belediging van Gods Zoon is een hoon voor Hem en kwetsend voor een christen. In de reacties die loskomen, klinkt: wereldvreemd, geen oog voor vrijheid van meningsuiting; weg met de heilige huisjes etc... Maar het is een staaltje vreemdelingschap! Op allerlei manieren kan vreemdelingschap voor een christen gestalte krijgen. Ieder mag daarin een eigen stijl ontwikkelen. Het vreemde zit ’m niet in het je afzijdig houden, je zoekt de samenleving juist op. Het vreemde zit ook niet het eerst in het goede gedrag, maar in het willen horen bij God. Ik leg het naast een brief uit de 2e eeuw van een Romeinse stadhouder, die schrijft over christenen: ‘Ze volgen de gewoonten van het land in kleding en voedsel, en in andere zaken van het dagelijks leven vertonen ze toch een wonderbaarlijke en algemeen erkende vreemde levenswijze. Ze wonen in hun eigen land, maar als vreemdelingen. Ze delen alle dingen als eigen burgers en lijden onder alles als vreemdelingen. Elk vreemd land is hun vaderland, en elk land is hun vreemd. Ze verblijven op aarde, maar zijn thuis in de hemel. Ze gehoorzamen de vastgestelde wetten, maar in hun eigen leven overtreffen ze de wetten. Ze delen hun tafel, maar niet hun bed.’ Christen als vreemdeling met uitstraling Dat God anders is, daar wordt een mens anders van: 1. heilig, 2. alert, 3. gewetensvol. 1. Wees heilig, want Ik ben heilig! Hoe kan dat ooit? Kun je dan tot op zekere hoogte net zo heilig worden als God? Is dat na te streven? En zo ja, hoe doe je dat dan? Tja, ‘heilig worden’, is dat wel zo aantrekkelijk? ‘Heilig’ heeft in onze taal vaak geen positieve klank: heilig boontje, vroom, braaf, wereldvreemd; doe niet zo heilig. Toch ook weer wel, als we zeggen: hij gelooft er heilig in; dan is iemand er niet van af te brengen. En als iets voor iemand heilig is, moet je ervan afblijven! Als Petrus die uitspraak uit Leviticus aanhaalt, vraagt hij in de eerste plaats aandacht voor God! Hij wil niet stimuleren om een bepaald niveau te bereiken of een heiligheidsdiploma te halen. Daarmee worden mensen teruggeworpen op zichzelf en hun eigen inspanning. En dat is nu juist niet zijn bedoeling! Hij doet er juist alles aan om de christenen op God zelf terug te laten vallen. Juist ook met die uitspraak wees heilig, want Ik ben heilig. Je levensrichting gaat naar God toe, je bent op Hem betrokken, en wordt bij Hem betrokken. Heilig kan in feite alleen van God zelf gezegd worden. Ten diepste is alleen Hij heilig, dat wil zeggen: uniek, onvergelijkelijk, bijzonder, apart. Niemand is als Hij en niemand kan worden als Hij. Zijn heiligheid is uitdrukking van zijn God zijn. Niemand kan tegen Hem op. Hij past niet in menselijke kaders. Hij laat Zich niet meten met mensenmaat. Hij doet anders dan mensen verwachten. Hij is altijd groter dan je denkt, gaat altijd verder dan je wilt, peilt altijd dieper dan je voelt. Heilig laat zien dat je God echt God laat. Het is zijn heerlijke uitstraling. Hij is totaal anders. Hij is op een bijzondere manier Bijzonder. Alleen God is van nature heilig! Zijn heiligheid is de hoogste waarde in het heelal. Petrus laat schitterend uitkomen dat het de bedoeling is dat je je als mens door Hem laat beïnvloeden. Gods uitstraling op jou. Hij heeft de oproep om heilig te zijn ingeklemd tussen de uitspraken: ‘de Heilige heeft u geroepen’ en ‘Ik ben heilig’. Heilig is dan ook niet een statisch gebeuren, een stille toestand. Het is heel dynamisch en levenskrachtig. Petrus wil laten zien: als God je leven binnenkomt, dan blijven de dingen niet zoals ze zijn. Hij heeft je in zijn invloedssfeer getrokken. Wanneer christenen heilig worden genoemd, wil dat in de eerste plaats zeggen dat ze op God georiënteerd zijn. Dat Hij ruimte in je leven krijgt en je ook ruimte voor Hem creëert. Laat ik zeggen: God-geconcentreerd denken, op God gefocust zijn. Dat je Hem belangrijk vindt, dat je voor Hem opkomt. Dat je het niet kunt hebben als God en zijn werk in de marge van het bestaan komen. Het kan dan ook nooit de bedoeling zijn, dat christenen ‘heilig’ worden in de zin dat ze de aandacht naar zichzelf toetrekken. Heiligen worden ze dan genoemd, als heiligen vereerd; prestaties breed uitgemeten. Of zoiets als: God heeft ons gered, wij zijn bevrijd, door Hem aangesproken, maar nu moeten we zien dat wij onszelf opwerken tot een bepaald heiligheidsniveau. Alsof je na Gods start vervolgens voor jezelf bent begonnen. De oproep om heilig te zijn betekent juist niet in jezelf geloven, maar heilig in God geloven. Omdat je het helemaal van Hem moet blijven hebben. Heiligen kunnen nooit doe-het-zelvers worden. Daarom begint Petrus ook met de krachtige uitspraak: vestig al je hoop op de genade van God! Denk dan bij genade niet alleen aan vrijspraak, vergeving van zonden. Dat is het ook wel, maar het is meer dan dat, én beter! Dat is Gods grote goedheid! Niet alleen vergeving belooft Hij, maar ook een vernieuwende werking. Je denkt toch zeker niet dat God je hele leven heeft opgekocht, om vervolgens alles bij het oude te laten?! Dat is net zo dwaas als iemand die heel veel investeert in een bouwval en vervolgens niets aan de renovatie doet. Christus laat het er zelf niet bij, en wil ons door de dagelijkse werkelijkheid, die met heiligheid in strijd is, niet laten ontmoedigen. Hij wil ook niet dat wij het erbij laten zitten. Dat wij op zijn kosten ons leven lang even makkelijk doorgaan met zondigen en voor altijd lelijke zondaars zouden blijven. Vergeving en vernieuwing horen bij elkaar, ze vormen ondeelbare genade. Doe er alles aan heilig te leven, zonder heiliging zal niemand de Heer zien (Heb. 12:14). Dat kan ook niet, want dan heb je nooit werkelijk oog voor Hem gehad. Heiliging zal van tijd tot tijd inderdaad tot gedragsverandering leiden. Meer nog mentaliteitsverandering. Dat is de bedoeling. Wie met God omgaat, Hem alle ruimte in zijn leven geeft, mag ook verwachten dat God z’n leven zal beïnvloeden. Bij ons geldt: waar je mee omgaat, daar word je mee besmet. Bij Hem: met Wie je omgaat, door Hem word je gezuiverd! Denk dan alstublieft niet aan braafheid of vrome deugd en religiositeit en zeker geen zelfgenoegzame moralistische betweterigheid. Dat is meestal niet zo heilig als het lijkt, zo niet schijnheilig. Ik moet denken aan het schokkende voorbeeld van Uzza die goedbedoeld meende God een handje te moeten helpen toen de ark omviel (2 Sam. 6:7). Voor ons onbegrijpelijk, maar zijn houding vloekte blijkbaar zo met Gods heiligheid, dat hij dodelijk werd getroffen. Omdat hij meer de aandacht naar zichzelf trok, dan naar de levende God? Heilig is dus God-centered. Hij is je oriëntatie. Hij bepaalt je levensrichting. Hij zet de koers uit. Dat God anders is, daar wordt een mens anders van. Het is Gods bedoeling niet dat wij als God worden, maar dat zijn heiligheid afglans in ons leven krijgt. Die beïnvloeding door God, heiliging, dat proces is nooit af. Het is een ingrijpend gebeuren dat pas aan het einde van je leven voltooid is. Een weg met God gaan, van vallen en opstaan. Voortdurend is er het gevaar om in oude patronen te vervallen. Dezelfde missers en fouten keren terug. Maar in dat gevecht of die strijd roept Petrus op om niet meer toe te geven aan die aloude begeerten. De aantrekkingskracht blijft, het trekt voortdurend; satan bestookt je met begeerten door alles wat je ogen zien: dit moet je hebben, dat moet je beleven, hier moet je aan meedoen etc. Maar geef er niet makkelijk aan toe, zoals in je tijd van onwetendheid. Toen wist je niet beter, en liet je je heen en weer deinen op de golven van wat je wel en niet zinde. Lukraak leven, erop los leven, doen waar je zin in hebt. Leven om je behoeften te bevredigen, als je het zat bent, dank je af en wil je weer wat anders. Hijgerig achter je begeerten aan jakkeren, onrustig tot en met. Geloven in God betekent niet dat je veel dingen moet en andere dingen niet meer mag, en je vrijheid kwijt bent. Mensen zijn niet zo vrij als ze denken. Ze worden beheerst door allerlei begeerten en driften. Wie heilig in God gelooft, wordt zich dat bewust. Ik dacht dat ik vrij was, maar ik was gebonden. Er is niets zo vrij en gelukkig als betrokken zijn op God, een kind aan de hand van zijn Vader. 2. Wees alert! Wees waakzaam. Gespitst op wat er komt. Dat staat tegenover leven in een roes, opgeslokt door je leven van alledag, je vakantie, je werk, je gezin, je hobby, je gaat er helemaal in op. Of nog heel anders: je laat de boel de boel. Je gelooft het wel en laat alles om je heen gebeuren. Het zal allemaal wel. Het zal mijn tijd wel duren. Je dommelt wat in, sukkelt in slaap. Blijkbaar heeft de gelijkenis van de Heer Jezus veel indruk gemaakt op Petrus, waarbij hij de vraag stelde: is het voor iedereen bedoeld? De gelijkenis die de Heer Jezus vertelde over zijn terugkeer en waakzaam te zijn. Als antwoord op zijn vraag over de betrouwbare rentmeester die wel of niet met de komst van zijn heer rekening houdt. Plus het verschil tussen mensen die wel beter weten en niet beter weten. (Zie Luc. 16:1-9). Je bent vreemdeling als je rekening houdt met de komst van je Heer. Dit leven is niet het een en het al. Het mooiste moet nog komen. Je leeft per slot van rekening nog een keer. Petrus zet het in het kader van de hoop op de genade die je ontvangt als Christus verschijnt. Dat is het hoofddoel, daar is Hij zelf vol van. Dat er een nieuwe wereld komt en je een compleet nieuw mens wordt. Die toekomst houdt niemand tegen. Daar moet het op uitdraaien in deze wereld. Hoeveel er ook stuk gaat, Christus’ genade is zo overvloedig, meer dan de zonde verwoesten kan! Om dat voor ogen te houden moet je geest paraat zijn. Letterlijk zegt Petrus: moet je je verstand omgorden. Je gedachten opsjorren, opbinden en controleren. Je kunt je laten leiden door allerlei gedachten. Een mens kan makkelijk worden gehinderd door wat hem door het hoofd spookt. Soms heb je het niet allemaal meer paraat en op een rijtje, is het een grote warboel. Heb je ook het hoofddoel niet meer voor ogen. Al onze gedachten en overleggingen hebben beteugeling nodig. We moeten soms orde op zaken stellen in ons denkwereldje. Het gaat er dus niet om dat je je denken uitschakelt, maar dat je je verstand goed gebruikt. Door de Geest verlicht denken als gehoorzame kinderen van God die zich door Hem laten gezeggen. Hij zet je niet op non-actief, maar wil je aandacht richten op de toekomst, en het hoofddoel waar het nu werkelijk in het leven om draait en gaat. Da’s heilig! Als je met God op weg gaat, moet je ook paraat zijn, mee willen gaan, niet blijven hangen in gedachten en meningen, en maar blijven prakkiseren. Of zelfs zeuren, klagen, morren: dit heb ik niet, en dat gaat niet. Als je met je gedachten alle kanten uit kunt, lijkt dat vrij, maar het leidt je van het doel af. De hoofdzaak verlies je dan uit het oog. En wat is die hoofdzaak? Niet de kracht van paarden verheugt God, niet de sterkte van soldaten geeft hem vreugde, vreugde vindt de Heer in wie Hem eren, en in wie hopen op zijn liefde en trouw (Ps. 147). Iets doen voor God, iets presteren voor God? Nee, ontvangen van Hem en daar je dank in uiten, dat staat voorop. Je levensdoel dat je op Hem gericht bent en Hij op jou. Waakzaam zijn, dat is alert zijn, op je qui-vive. Het tegenovergestelde van beneveld zijn, onder invloed. Als je bedwelmd bent, kun je niet meer helder onderscheiden waar het op aankomt. Je verdrinkt wat je wilt verdringen. Veel kan je dan ook niet schelen en weinig doet ertoe. Het probleem met dronkenschap (soms bij kinderen vanaf 14!, met alle schadelijke gevolgen van dien) is dat het de werkelijkheid verstoort. Het maakt je gedachten ongevoelig voor wat waar is, reëel en waardevol. Je ziet dingen die er niet zijn; en dingen die er wel zijn, zie je niet. Stuurloos heen en weer laveren in een benevelde toestand, zonder anker, zonder koers, zonder doel. Daar wil Christus je voor behoeden en bewaren. Als je beneveld bent, zie je ook niet dat Hij eraan komt. Christus roept je wakker! Wees alert, wees geconcentreerd op Christus zelf en zijn goedheid. Hij stelt er een eer in dat wij op zijn genade en liefde hopen. Hij wil niets liever dan dat wij houvast zoeken aan zijn goedheid, dat Hij het beste met je voorheeft. Je door Hem laten leiden, dat geeft stuur aan je leven. Vrijuit, vrijmoedig, vestig al je hoop op zijn genade, die alle prestaties je uit handen slaat, en je doet terugvallen op Hem alleen. Hij wil je voluit in dienst nemen en meenemen naar zijn toekomst. Als je zo paraat staat en geconcentreerd op Hem leeft, valt dat op en wekt dat vervreemding. Maakt ook nieuwsgierig: hoe kun je zo in het leven staan, alsof niet alles ervan afhangt, alsof niet alles hier en nu gebeuren moet. Inderdaad, je leeft per slot van rekening nóg een keer. Er is hoop! De mensen moeten aan je merken dat God nog veel van plan is. Christus zelf is het levende antwoord. 3. Het woord voor geweten is: con-sciëntie; dat is ‘samen-weten’. Je geweten is wat je samen weet met God en Hij alleen. Je weet alles samen met Iemand die de werkelijkheid beleeft zoals die echt is. Het aanroepen van de Vader typeert een ander leven, waarin gebeden een plaats krijgen. Wie God als Vader aanroept, moet beseffen Wie hij roept. Het is prachtig met Hem om te gaan, met Hem te leven. Maar Hij is geen Vader die altijd maar goedkeurend knikt, die alles maar goed vindt. En die het niet zoveel kan schelen, omdat zijn Zoon toch alles al heeft betaald en gedragen. Het is wel eens afgedaan met de bekende driehoek. In die driehoek was een oog afgebeeld, een alziend oog dat in elke kamer te zien was. Overal werd je gevolgd en bekeken. Angstaanjagend. Zo is het niet bedoeld. Ontzag hebben voor God is iets anders dan bang voor Hem wegkruipen. Er wordt constant op je gelet met liefdevolle ogen, eerlijk, betrouwbaar, geen gegluur. Zoals in Psalm 32: 8 mooi tot uitdrukking komt: ‘op jou rust mijn oog.’ Het is wel zo dat God als Rechter je leven beoordeelt. Als een volstrekt eerlijke Rechter, oprecht, rechtuit en onkreukbaar. Hij trekt zijn kinderen niet voor. God kent geen aanzien van de persoon. Hij trekt sowieso niemand voor. Petrus heeft het ondervonden bij Cornelius: God had zijn vrijgevigheid gezien en het respect voor Hem. Hij beoordeelt ieder op een eerlijke manier. Of je nu christen bent of niet. Hij zal nooit iemand onrecht aandoen. Mensen voortrekken, dat is verre van Hem. Hij laat Zich op geen enkele manier omkopen. Gods heilig oog kijkt kritisch en ontdoet een mens van alle franje. Hij bekijkt het leven als geheel. Hij weegt de omstandigheden, brengt die in rekening. Hij neemt alles mee in zijn beoordelingen, meer dan mensen ooit kunnen nagaan. Omdat Hij alles ziet en weet. Niets gaat aan Hem voorbij en Hij neemt je volstrekt serieus. Niemand laat Hem onverschillig. Hij taxeert je leven en peilt het gehalte. Je leven als geheel, heeft dat ook inhoud? Wat stelt het voor? Hij discrimineert niet, maar taxeert elk mensenleven en weet het op de juiste waarde te schatten. Dat Hij alle aandacht voor je heeft, betekent ook dat Hij je gangen volgt en dan ook nagaat. God is precies op zijn eigen volk. Wie dicht bij Hem leeft en Hem kent, heeft ook een des te grotere verantwoordelijkheid. Het is Petrus bijgebleven wat Jezus vertelde. Aan wie veel is toevertrouwd, van hem of haar wordt ook meer gevraagd. God stelt je verantwoordelijk en neemt je volstrekt serieus. Dat is niet om bang te maken, maar wel om ontzag voor God te hebben, eerbied voor de Vader. Vrees Hem als het je niets of weinig zegt of het je koud laat en je niets van Hem verwacht. Dat roept zijn heilige verontwaardiging op. Ontzag voor God hebben betekent, dat je veel van God verwacht en dat je aan je omgeving laat zien dat je groot van God denkt. Vreemdelingschap, het vreemd zijn komt hierin tot uitdrukking dat je God het allerbelangrijkst vindt. Hier geldt de toon die gezet is aan het begin. Vestig al je hoop op zijn genade. Dat heeft het eerste en het laatste woord. Die genade, dat Hij het beste met je voorheeft, en op zijn besluiten ten voordele van mensen niet terugkomt. Die genade moet je nooit ofte nimmer goedkoop maken. Je weet immers dat je niet met goud of zilver bent gekocht, maar met kostbaar bloed, met het leven van Gods enige Zoon. Dat maakt Hem heilig en uniek! Wat Hij al niet voor je overhad, dat is met niets ter wereld te betalen. Stel die losprijs op hoge prijs, je leven lang. Laat je geloven in Hem hopen zijn op God. Laat de zekerheid groeien, niet teruggeworpen op jezelf, maar op Hem alleen. Geloof niet in jezelf en je eigen kunnen, maar geloof heilig in Hem. Hij moet je toekomst maken en bouwen. Hij wil je vergeven, Hij wil je veranderen! Ik ben niet tevreden met mijzelf, er wordt aan mij gewerkt. Waar heeft God het meeste plezier in? Waar schept Hij het meeste behagen in? Waar beleeft Hij het meeste genoegen aan? Aan hen die op zijn genade en liefde hopen. Met minder neemt Hij geen genoegen. Dat God zo anders is, daar wordt een mens anders van. Laat dat tot je doordringen als je je de komende week voorbereidt op de viering van het heilig avondmaal om Christus te ontmoeten, en te proeven hoeveel Hij van je houdt. Hoezeer je zijn moeite waard bent. En hoeveel Hem eraan gelegen is om je gaandeweg te veranderen. Gaandeweg Hem tegemoet. Amen.
4. Blijf geen vreemden voor elkaar(아무 낯선 사람에게도 계속 전도하라)/요일3:9-24,벧전1:22-25,시133/네덜란드어(화란어)설교(Dutch Sermons)
4. Blijf geen vreemden voor elkaar(아무 낯선 사람에게도 계속 전도하라) 요일3:9-24,벧전1:22-25,시133 4. Blijf geen vreemden voor elkaar Liturgie: Gez 2 : 1, 2, 5 Gebed 1 Johannes 3 : 9-24 LB 481 : 1 & 4 1 Petrus 1 : 22-25 Ps 133 HA formulier V Offerande Gez 32 : 1-2 Dankzegging NG 87 Gemeente van onze Here Christus, mijn broeder en mijn zuster, Is het niet vreemd elkaar broer en zus te noemen? Waarom doen jullie dat eigenlijk? En meen je dat ook echt, als je dat zegt? Betekent dat ook werkelijk iets voor je, of is dat niet meer dan een vorm? Zomaar een paar vragen van een buitenstaander die binnenkwam en opkeek van de benaming: broeder en zuster, of broer en zus. De eerste christenen hebben veel hinder ondervonden van het elkaar broer en zus noemen. Er kwam kwaadsprekerij van, lastertaal kwam opzetten. Schunnige verhalen deden de ronde. Dat die christenen zo close met elkaar omgingen, alsof ze allemaal familie van elkaar waren, met insinuaties van incest. In de loop van de geschiedenis heeft de christelijke kerk ook vaak te kijk gestaan. Ze kunnen wel doen alsof ze familie van elkaar zijn, maar ze hebben dan ook last van familieveten. Broedertwist is een gangbare benaming geworden. Hete hoofden en koude harten, in plaats van het hoofd koel houden en een warm hart voor elkaar. De liefde onderling is van het grootste belang. Petrus werkt naar een climax toe: heb elkaar lief! Na geloof en hoop komt de liefde in beeld, als de meeste. Daarin sluit Petrus zich aan bij Paulus. En niet te vergeten bij Johannes, diens brieven zijn er vol van. Er is een leerzame legende over de apostel Johannes. Toen hij heel oud geworden was, kon hij niet meer preken. Men haalde hem op met een draagstoel, de gemeente keek eerbiedig naar de grijze apostel, de langstlevende. En elke zondag vroegen ze hem: Wilt u nog iets zeggen? Moeizaam ging Johannes dan staan. De gemeente hing aan zijn lippen, hij kon weer iets nieuws laten horen. Kinderkens, zei Johannes, en het werd heel stil in de kerk, hebt elkander lief. Dat was het, hij ging weer zitten. De gemeente hoopte de volgende week dat hij wat meer zou zeggen. Maar de volgende week ging het netzo. Telkens weer, tot ze zeiden: Hij wordt oud, je kunt merken dat hij aftakelt. Maar het was en bleef de kernachtige boodschap: heb elkaar lief. Vreemdelingen met uitstraling blijven geen vreemde voor elkaar. Houd de liefdeband in stand: 1. met een zuiver hart, 2. met een gemeenschappelijke Vader, 3. met het blijvende woord. 1. Petrus heeft de woorden voor liefhebben zorgvuldig gekozen. Toen Christus in hun leven kwam, keken ze anders tegen het leven aan. Vonden ook andere normen en waarden. Dat zij bij God zijn gaan horen, dat Hij zo anders is, daar werden ze anders van. Eerst werden ze aan elkaar gegeven als medechristenen: fila-delfia, letterlijk: liefhebben in de zin van de familieband. Maar ze moesten leren elkaar ook onvoorwaardelijk lief te hebben, zonder er iets voor terug te krijgen. Er is liefde die zegt: ik heb jou nodig. Er is ook liefde die zegt: hoe heb je mij nodig. De agapè, die leeft van geven in plaats van nemen. En dan niet alleen de buitenkant, maar echt van binnenuit. Deze liefde gaat dieper dan goed fatsoen. Niet opgelegd, maar van harte. Niet liefdoen, maar liefhebben! En ook nog eens bestendig, geen bevlieging, of afhankelijk van je stemming. Lief dóen hangt van je stemming af, liefhebben niet. Die heeft een lange adem en houdt het ook langer uit. Makkelijker gezegd dan gedaan. Wie kan dat opbrengen? Mooie woorden, maar hoe kom je tot daden? De praktijk is weerbarstig. Petrus weet er alles van. Deze liefde heeft geen mens van zichzelf. Daarom gaat hij terug naar de wortel. Waar komt die liefde uit voort? En hoe komt die op gang? Wat eraan vooraf is gegaan en moet blijven gaan, is: reiniging. Ze hebben allemaal een reinigingsproces achter de rug. Reiniging, dat was altijd al nodig in Israël met het oog op de dienst aan God. Je moest je van buitenaf reinigen, schoonmaken, als beeld voor reiniging van binnen, zodat je beschikbaar werd voor God, aan Hem werd gewijd, en dat je de macht van de dood en de zonde achter je wilde laten. Wil je tot echte broederliefde komen, dan heb je een zuiver hart nodig. Daarvoor moet je je eerst bewust worden waarvan je gereinigd moet worden. Je moet eerst oog krijgen voor het vuil waar je mee behept bent. En dat is gebeurd, die eerste christenen zijn zich ervan bewust geworden doordat hun de waarheid is gezegd. De waarheid opent je oog voor de ware toestand, hoe het er echt met je voorstaat. Die prikt overal doorheen. Ze werden er allemaal aan ontdekt: jaloezie, zelfzucht, egoïsme, hypocrisie, onechtheid, onoprechtheid. En dat zijn allemaal belemmeringen om elkaar lief te hebben. Het kanaal van de broederliefde is van nature verstopt. Dat moet eerst grondig worden gereinigd, voordat er ooit iets goeds uit kan voortvloeien. Er is een zuivering nodig, een reiniging. Het hart moet gezuiverd worden van bijbedoelingen, onechtheid, egotripperij, eigenbelang. Na een grondige reiniging verandert de vervuilde bodem van je hart in een vruchtbare grond. Bodemsanering haalt alles overhoop en gaat grondig te werk. Maar de innerlijke reinheid is een uitstekende voedingsbodem voor de onderlinge liefde. De broederliefde kan alleen gedijen op een bodem die niet langer vervuild wordt door egoïstische motieven. Zonder die reiniging blijven de kanalen verstopt en bereik je elkaar van geen kant. Dan blijf je op jezelf, helemaal op jezelf, en bemoei je je niet met de ander. Het is dus duidelijk dat Petrus niet zomaar een opdracht geeft: heb elkaar onvoorwaardelijk lief, punt uit. Hij wijst van onszelf af. Je moet eerst de waarheid onder ogen zien, en gehoor geven aan wat Christus je voorhoudt. Alleen langs die weg kan er reiniging plaatsvinden. Dat kun je niet uit jezelf. Dat hebben de eerste christenen zelf ondervonden. Je wordt gereinigd door het bloed, door besprenkeling. Christus opent je ogen voor het vuil dat er is, Hij vergeeft niet alleen door jouw vuil op te ruimen, maar Hij vernieuwt en zuivert ook. Het is zijn liefde die de circulatie van broederliefde op gang brengt. Zolang er een gemeente van Christus op aarde is, zolang blijft die zuivering nodig. Eerst je bewust worden van het vuil: hypocriet (Petrus noemt het expliciet). Je doet alleen aardig om aardig gevonden te worden. Je speelt een spel met de ander, en bent niet werkelijk in de ander geïnteresseerd. Je bent niet belangstellend, maar houdt op afstand, of vertelt alleen je eigen verhaal. Je hebt niet het oog op de ander, maar alleen op jezelf, wat jij vindt, wat jij voelt, wat jezelf denkt, hoe jij het ziet. Wat blijft er veel om van gezuiverd te worden. Die reiniging begint met het verlangen om verschoond te blijven van al dit soort ongerechtigheid. De verleiding is groot om maar genoegen te nemen en te roepen: te hoog ideaal. Maar de apostelen, één voor één, Petrus, Paulus, Johannes, ze laten zien dat we hier aan de basis staan van gemeente-zijn. Hier staat of valt ontstellend veel mee. Dat bepaalt of je een levende gemeente bent of niet. Als je niet voor de ander wilt gaan en alleen met jezelf bezig bent, voor jezelf lid bent, is al je andere activiteit voor niets en vruchteloos. Liefhebben is een werkwoord. Je moet eraan werken. Het is een oefenschool en het blijft een leerschool. Het met elkaar uithouden, van elkaar verdragen, elkaar ruimte gunnen, elkaar in je eigenheid waarderen. Er zit rek in de broederliefde, die kan tegen een stootje. Juist als het erom spannen gaat, komt het erop aan wat wij voor elkaar over hebben. Het oefenen in de onderlinge omgang is van groot belang voor de buitenwacht. Een gemeente van Christus is nooit bedoeld als een gesloten kring van mensen die alleen de liefde met elkaar delen. Petrus zegt het heel duidelijk in zijn tweede brief. Span je in met al je kracht, om je geloof te verrijken met deugdzaamheid, je vroomheid met liefde voor uw broeders en zusters, en uw liefde voor uw broeders en zusters met liefde voor allen (2 Petr. 1:7). Twee jaar geleden deed het Rode Kruis onderzoek naar eenzaamheid onder de gehele Nederlandse bevolking. Daaruit bleek dat 34 procent van de gezonde jongeren eenzaamheid ervaart. Jongeren in de leeftijd van 25-30 zijn volgens het onderzoek het meest eenzaam. En de percentages onder de ouderen/bejaarden zijn nog vele malen hoger. Waar mensen niet kunnen samenleven, hebben ze geen leven. Een uitdaging voor de christelijke gemeente! 2. Waaruit komt het nog meer voort dat je geroepen wordt elkaar lief te hebben? Dat je kinderen bent van één Vader. Petrus gaat terug naar de andere wortel. Hij heeft het over de herkomst. Hij gebruikt weer het beeld van de nieuwe geboorte. Wedergeboorte - weet u nog - betekende: God maakt een nieuw begin. Hij maakte een nieuwe start. Deze mensen hadden eerst weinig of niets met elkaar, maar nu zijn ze aan elkaar gegeven. Door God de Vader zijn ze allemaal verwekt: uit onvergankelijk zaad. Niet van beneden uit ontstaan, maar van buitenaf ingebracht; geïnsemineerd. De oorsprong ligt in God. Het komt uit God. Hij heeft een christelijke gemeente in het leven geroepen. Als uit het niets tevoorschijn gebracht. Hij heeft een gezin gesticht van mensen die uit Hem geboren zijn. Hij bouwt aan een nieuwe familie. Het is geen initiatief van mensen, die bedachten: laten wij ook eens wat ondernemen samen. Dat houdt nooit lang stand. Het nieuwe leven komt uit God zelf voort. De christelijke gemeente is in het leven geroepen, zei ik met opzet. Want dat zaad waarmee God heeft verwekt, dat heet het woord van God. Precies wat de Heer Jezus zei: wie gehoor geeft aan mijn Vader, die is mijn broeder en mijn zuster. Dat gemeenschappelijk luisteren, dat schept ook de onderlinge band samen. Het geeft herkenning als je samen gehoor wil geven. Je wordt geroepen elkaar lief te hebben, omdat er al een band ligt. Wij zijn niet begonnen een band te leggen. Die lag er al. Wij worden geroepen die liefdeband te bewaren en niet te verbreken! Petrus sluit zich hierin aan bij Johannes. Geliefde broeders en zusters, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt uit God voort. Ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde. De liefde die hij aanbeveelt, is van goddelijke origine. Voordat je toekomt aan de opdracht de ander lief te hebben, begin eerst eens je te verwonderen. Dat er zo’n christelijke gemeente is, overal ter wereld. Begin met de verwondering zoals je bij elke geboorte daarmee begint. Als wij onze ontstaansgeschiedenis niet kennen, verdwijnt de verwondering en komt de sleur binnen. Dan wordt het ook nooit duidelijk waarom je zoveel voor elkaar over zou moeten hebben. Wij zijn heel verschillende mensen, totaal andere karakters en achtergronden, we hebben misschien weinig gemeenschappelijk. Maar we hebben een gemeenschappelijke Vader via zijn Zoon. Net als in een gezin heeft niemand voor elkaar gekozen. Je bent aan elkaar gegeven als broer en zus. Aan niemand is gevraagd wat voor broer of zus je zou willen, en welk karakter zij zouden hebben. Je wordt aan elkaar gegeven en hebt het niet voor het kiezen. Dat kan heftige botsingen geven en bewerken dat je uit elkaar komt te liggen. Je kunt elkaar links laten liggen en gaan negeren. Wat er al niet gebeuren kan. Maar niemand kan ongedaan maken dat je uit hetzelfde gezin voortkomt. En wat hebben een vader en moeder het liefst in hun gezin? Dat de kinderen elkaar liefhebben, dat er een gezinsband is, dat ze om elkaar geven. Niets erger dan dat een familie scheurt, verhoudingen verbroken worden, en dat de gezinsleden totaal langs elkaar heen leven. Voor een vader en een moeder een verschrikking. Maar even groot is de blijdschap en het geluk als ze in vrede met elkaar leven en daadwerkelijk om elkaar geven. Hoeveel te meer zal het voor God de Vader gelden. Kinderen van een Vader zijn wij allemaal. In de kerkgeschiedenis ging het vaak om de waarheid. En wat is er niet gevochten om recht, al was het om de naamgeving van een kerkgenootschap! De waarheid doet ertoe. Het recht moet zegevieren. Maar wat betekent alle strijdbaarheid als de liefde eruit is? Als de liefde er niet is, daadwerkelijke, oprechte liefde voor elkaar, is de wortel eruit, kan het niet uit God komen, maar is het van mensen. Uiteindelijk zal je niet gevraagd worden wat je allemaal hebt gepresteerd in de christelijke gemeente, wat je hebt bereikt, klaar gemaakt, geïnvesteerd, maar wat je aan liefde hebt gegeven. Wij kunnen alleen maar liefde geven, als we uit zijn liefde leven! 3. In het Midden-Oosten kan in het voorjaar een bloemenpracht opkomen in een korte tijd. De voorjaarsregen komt weldadig op vruchtbare grond. Zelfs een woestijn kan dan in een korte periode in bloei staan. Een prachtig gezicht. Gras komt weelderig op en de bloesem is overal zichtbaar. Totdat er in het voorjaar een woestijnwind opsteekt. Uit het oosten afkomstig, een sirocco, een hete, verzengende, alles verschroeiende wind. In een mum van tijd zie je de kwetsbare vegetatie verleppen. Zo gaat het met alles wat mensen tot stand brengen. Jesaja zei het namens God als bemoediging voor zijn volk. Die kwade machten waar jullie nu zo tegen opkijken, die wereldheersers die nu alle macht naar zich toetrekken, ze zullen het vroeg of laat afleggen zoals de bloemen in het veld niet opkunnen tegen die hete wind. Maar wat God tot stand heeft gebracht, dat blijft. Kijk, dat volk in de dagen van Jesaja vertoont overeenkomsten, ze zijn vreemd, ze zijn in de ogen van de wereld om hen heen nobody’s; ze hebben weinig of niets in te brengen. Uiteindelijk houdt alleen hij of zij stand die afgaat op wat God zegt. De normen en waarden die God aangeeft, veranderen niet, ze zijn onvergankelijk. Ze blijven standhouden. Voor een tijd, lijken ze verdwenen en overwoekerd, maar ze keren weer terug. Om de eenvoudige reden dat zonder de liefdesregels van Gods waarden het leven op niets uitloopt. Met alle macht van de wereld kun je nooit bereiken wat zijn liefde bereiken kan. Het is vergankelijk wat mensen opbouwen en in stand proberen te houden. Vaak willen ze ook iets van zich achterlaten. De grote leiders willen naam maken. Mitterrand deed het in Parijs, en Chirac zei het nooit te zullen doen, maar heeft ook voor miljoenen een museum laten bouwen van zijn voorkeuren. Het heeft allemaal te maken met eer en heerlijkheid van mensen. Ze trekken de eer naar zich toe en eisen het voor zichzelf op. Maar Christus ontving de hoogste eer door zijn liefde, waarmee Hij Zichzelf helemaal heeft gegeven. Hij ontving de hoogste eer door de opstanding uit de dood, terwijl de eer van de mens aan de dood is onderworpen. Bij Petrus verwelkt de mens haast vanzelf. Alleen de kracht van het levende en eeuwig blijvende Woord van God houdt hem overeind. Dat Woord zal iedereen overleven. Het is levend Woord, blijvend Woord, het is Christus zelf in één woord. Alles wat ooit beloofd is door God, is in Hem ja en amen geworden. Als wij liefhebben met ons hart, kan dat een prijs kosten. Dan zul je voor de wereld om je heen voor gek worden verklaard. Je zult de glorie verliezen van het gras en de bloemen waar de mensen in de wereld voor leven: glamour en glorie die de eer naar zichzelf toetrekken. Maar de glorie van de wereld verdwijnt, maar het Woord van God blijft recht overeind. Zolang het woord op je afkomt en je het op je af laat komen, verlept de gemeente niet. Als Gods Woord gehoor vindt, bloeit het leven op. Er zit iets onverwoestbaars in, omdat het Woord van God onaantastbaar is. Met dat Woord heeft Hij een gemeente in het leven geroepen. Als God zo een zaak begint, sluit die zaak niet meer. Zijn Woord kan ertegen. Het kan dor zijn voor het oog, maar God ziet er leven in. Wat God heeft gesticht aan liefdeband, dat gaat nooit meer weg. Waarom niet? Omdat het uit God is. Omdat Christus werk ermee gemoeid is, zijn onverwoestbare liefde. Zonder geloof vaart niemand wel, heb je er geen vertrouwen meer in. Zonder hoop kan niemand leven, het ontbreekt je aan uitzicht. Maar zonder liefde is het helemaal geen leven! Geloof verdwijnt een keer. De hoop verdwijnt een keer. De liefde blijft. Want de meeste van deze drie is de liefde. Want er komt een wereld waarop die liefde woont. Waar die liefdeband nooit meer stuk kan. De liefdeband die hier begonnen is. Die blijft in eeuwigheid. Johannes, Petrus en Paulus, de apostolische trojka, blijven het zeggen. Kinderen, heb elkaar lief. Vreemdelingen met uitstraling, blijf geen vreemden voor elkaar. Houdt de liefdeband in stand. Liefde is een werkwoord, maar komt voort uit God. Amen.
5. De hoogste Losprijs(최고의 몸값)/시95:1-3,시130:2-4/네덜란드어(화란어)설교(Dutch Sermons)
5. De hoogste Losprijs(최고의 몸값) 시95:1-3,시130:2-4 5. De hoogste Losprijs Ps 95 : 1 & 3 De Tien Woorden Ps 130 : 2 & 4 Gebed Formulier III Na gezindheid en verzekering Gez 15 Offerande LB 360 Tafel 1 Losgekocht 1 Petrus 1 : 18 Wie wordt losgekocht, heeft vastgezeten. Je zit vast waar je moeilijk van los bent te krijgen. En al helemaal als je vastzit bij een ander en gegijzeld wordt. Loskopen of verlossen, dat betekent in de Bijbel dat je vastzat aan een vijandige macht of in een vijandige omgeving. En dat je daarvan bent losgemaakt. Petrus noemt datgene waaraan die eerste christenen vastzaten. Ze zaten eerst vast aan hun traditioneel leefpatroon, familietradities, overleveringen. Die kunnen zo sterk zijn, dat ze je in de greep houden, en je er uit jezelf niet van loskomt. Soms blijven christenen nog vasthouden aan aloude tradities zoals voorouderverering, winti’s etc. en blijken die zeer hardnekkig. Maar, zegt Petrus, daar ben je uit losgekocht, zodat het je niet meer in de greep heeft. Al die tradities en overleveringen zijn uiteindelijk leeg, omdat ze niet God als inhoud hebben. Er is niks aan en er zit niks in. Verspilde tijd, energie, zinloos, doelloos, zonde. Je bent hiervan door Christus losgekocht. Hij wil niet dat je daarnaar teruggaat en in het verleden blijft hangen. Dat je hecht aan tradities die niets met God zelf te maken hebben. Petrus spitst het toe op tradities, maar je kunt het veel breder maken. Overal waar wij aan vast zijn komen zitten, waar we aan verslaafd zijn geraakt. Paulus noemt het ‘verkocht zijn aan de zonde’, vastzitten aan je eigen voorkeuren, wensen, verlangens…, je eigen hebbedingetjes en daardoor niet tot je bestemming komen. Zonde, dat is je doel missen. Kwade machten van zonde tot en met de dood leggen je vast en houden je in de greep. Christus wilde ons compleet loskopen om ons aan Hem te binden. Gekocht om zijn eigendom te zijn en echt vrij te zijn. Vrijgekocht voor een leven in liefde en overgave aan God. Gez 30 : 5 Tafel 2 Duur gekocht 1 Petrus 1 : 19 Als een kind wordt ontvoerd, hebben de ouders hun hele vermogen ervoor over om hun kinderen vrij te krijgen. Hoe hoog de losprijs ook is, ze zullen alles doen wat in hun vermogen ligt om hun kind vrij te krijgen. Niet alleen omdat hun kind kostbaar is, maar hun ook dierbaar is. Zo heeft God voor zijn ontvoerde kinderen alles gegeven wat Hij had. Dat is met geen goud of zilver te vergelijken. Met geen miljoenen ter wereld te koop. Het leven van de christelijke gemeente wereldwijd is de duurst betaalde zaak ter wereld. Het heeft het bloed gekost van Gods Zoon. Bloed? Bloed kan weerzin wekken en walging. Het kleeft, verontreinigt, besmet. Bloed kan teken zijn van dood en verderf. Maar bloed bevat ook het geheim van leven. Het bloed van het dier is zijn ziel, zijn levenskracht, het mag niet gegeven worden. Het bloed van mensen is nog kostbaarder. En Christus’ bloed is niet alleen kostbaar, het is dierbaar omdat het om Gods innig geliefde Zoon gaat. Oneindig van waarde. Christus zelf kondigde het tijdens zijn leven aan: Ik ben gekomen om mijn leven te geven als losprijs voor velen. Petrus zal zich deze woorden levendig herinneren. Hij brengt ze in verband met het Lam, de eerste verwijzing van Johannes: zie het Lam! Gods lieveling, die alles gedragen heeft. Hij voldeed aan de strengste eisen: zonder smet of gebrek. Hem mankeerde niets. De waarde van deze losprijs is blijvend. Voor altijd en eeuwig waardevast. Nooit aan prijsschommelingen onderhevig, of gevoelig voor koersdalingen. Altijd de hoogste koers. Bedoeld om levenslang op hoge prijs te stellen. Wees ervan doordrongen hoe duur je bent gekocht. Hij maakt een mensenleven waardevol. Er lopen heel wat mensen rond die aan een menselijk leven veel minder waarde hechten. Dit evangelie heeft ervoor gezorgd dat het menselijk leven beschermingswaardig is, onder alle omstandigheden. Niemand minder dan de Zoon van God heeft voor ons leven het zijne over gehad. Dat is de ongehoorde boodschap die niet alleen persoonlijk, maar ook maatschappelijk een levensopstelling geeft die leven beschermt. Geen andere godsdienst heeft dat in het pakket. Niet dat wij zoveel beschaafder zijn dan de anderen, maar wij willen Hem de eer geven en maken zijn genade groot. Omdat de Vader een kostbaar lam ter beschikking stelde en omdat Hij ons zo duur gekocht heeft. Gez 18 Tafel 3 Hij is je een eeuwigheid voor 1 Petrus 1 : 20 Het loskopen door Christus heeft een eeuwenlange voorgeschiedenis. Het is geen toevallige loop van omstandigheden. Het kwam niet uit de lucht vallen. God had zijn plan al tijdenlang voorbereid. Hij was het altijd en eeuwig al van plan. Hij kende zijn Zoon al lang van tevoren, een eeuwigheid. De bestemming van zijn Zoon dateert nog van voor de grondlegging van de wereld. De profeten hebben er lang op moeten wachten, toen ze nagingen hoe God zou gaan verlossen. Eeuwenlang hebben ze nagespeurd en gezocht en nagedacht hoe God ooit al die beloften zou waarmaken. Het paste in geen enkel patroon. Het ging alle verwachtingen te boven. Sterke God en kwetsbaar mens tegelijk. Voor geen mens te bedenken en te rijmen. Het is lang verborgen gehouden, maar onthuld met het oog op u! Mensen vinden het moeilijk om te wachten, hebben zich vaak afgevraagd: komt er nog wat van? God heeft zijn plan niet ingetrokken, maar uitgevoerd. Hij heeft dat gedaan omdat Hij, zegt Petrus tegen de lezers, jullie op het oog had. Al lang van tevoren. In het eind van de tijd is het openbaar geworden. Gods reddingsplan met zijn wereld is in een beslissende fase terechtgekomen, en jullie maken daar onderdeel van uit. Gemeente van Christus zijn is geen gerommel in de marge, voor de kleine lettertjes in de wereldgeschiedenis. Het redden van zijn mensenkinderen is voor Hem hoogtepunt van de wereldgeschiedenis. Wat vóór de schepping al bekend was, grijpt vooruit naar het einde, als al zijn kinderen samenkomen. En de lofprijzing op de losprijs voluit klinkt. God was jullie een eeuwigheid voor met zijn liefde. NG 85 Tafel 4 Hoop en geloof gaan gelijk op 1 Petrus 1 : 21 Zonder opstanding hangt de kruisiging in de lucht. Met de opstanding uit de dood heeft God de Vader het gelijk van zijn Zoon bewezen. Hij heeft zijn Zoon een publieke rehabilitatie gegeven. Wat Hij bij mensen tekortkwam, heeft Hij van zijn Vader ontvangen. Zijn levenswerk in zijn sterven is bekroond met zijn opstanding. Avondmaalvieren is geen herinneringsmaaltijd aan de dode Jezus. Het is geen dodenherdenking. Maar een levende verbinding met Hem die dood geweest is en die leeft! Die levende verbinding heet geloof. En hoop gaat hiermee gelijk op, gespannen verwachting, omdat God zijn woorden waarmaakt. Dat heeft God met de opstanding van zijn Zoon bewezen, daar staat of valt alles mee. Alles is aan Christus te danken. Hij geeft je geloof dat je richt op zijn Vader. Hij geeft je hoop die uitzicht biedt waar alle menselijke teleurstelling dat uitzicht telkens ontneemt. Geloof en hoop gaan samen op en neer. Hoe sterker ons geloof gevestigd is op Hem, des te sterker gloort de hoop. Hij doet geen half werk, maar Hij maakt af waarmee Hij is begonnen. Op grond van de hoogste losprijs.
6. Missionair, door Gods ontferming bewogen(하나님의 자비에 의한 선교)/시81:1,6,7,8,사43:8-21,시150,벧전2:1-10,시118:8-10,벧전2:9-10,시147:1,2,7/네덜란드어(화란어)설교(Dutch Sermons)
6. Missionair, door Gods ontferming bewogen(하나님의 자비에 의한 선교) 시81:1,6,7,8,사43:8-21,시150,벧전2:1-10,시118:8-10,벧전2:9-10,시147:1,2,7 6. Missionair, door Gods ontferming bewogen Liturgie: NG 70 Tien Woorden Ps 81 : 1, 6, 7, 8 Jesaja 43 : 8-21 Ps 150 1 Petrus 2 : 1-10 Ps 118 : 8 & 10 1 Petrus 2 : 9-10 Ps 147 : 1, 2 & 7 Offerande LB 444 NG 40 (na de zegen) Gemeente van onze Here Christus, mijn broeder en mijn zuster, We lopen het risico alleen horende kerk te zijn en geen sprekende kerk. Deze zin komt uit een boekje over evangelisatie. Of zoals u wilt, over missionaire gemeente zijn. Christenen zijn mensen met een missie. Welke benaming je ook kiest, het gaat over uitdragen en uitspreken wat je gelooft in je dagelijkse omgeving. Een horende kerk luistert. En dat is goed. Je laat de boodschap tot je doordringen en zelfs op je inwerken. En je vindt er wat van. Het raakt je ook wel. Maar daar blijft het dan bij. Je slaat voorzover je geheugen het toelaat, de informatie op en doet er verder helemaal niets mee. Het zit er misschien wel, maar het komt er gewoon niet uit. Het komt niet verder dan de muren van dit kerkgebouw of de muren van je woonhuis. Je houdt de mooie boodschap verder voor je. Alleen klopt er iets niet, als je het zwijgen ertoe doet. Want geloof leeft niet alleen van horen, ook van spreken. Als je je geloof voor jezelf houdt, heb je de tijd en het tij mee. Want dat is nu precies de bedoeling van velen in onze samenleving. Alles wat met geloof en God te maken heeft, is prima zolang je het maar privé houdt. Je mag geloven wat je wilt, als het maar binnenskamers blijft. En kom er vooral niet mee naar buiten. Maak het niet publiek en houd het niet aan een ander voor. Ga het niet lopen verkondigen. Verkondigen, dat is eenrichtingsverkeer. En dat past niet bij onze vermeningisering in de samenleving. Iedereen mag overal een mening over hebben. Daar is in feite geen plaats voor een stevige christelijke overtuiging. Dan kan het zomaar gebeuren dat wij ons als christenen in een hoek laten duwen, vooral een klein hoekje. En ons een gettomentaliteit wordt opgedrongen. Maar onze God is geen god van een getto, Hij is God van de hele wereld. Gods vreemdelingen horen niet in een getto, maar in zijn wereld. Vreemdelingen met uitstraling laten van zich horen Missionair, door Gods ontferming bewogen 1. wie zij zijn (geworden), 2. voor Wie zij zijn (bestemd). 1. Wie ben je? Wat is je identiteit? Waar ontleen je je identiteit aan? Nike, Adidas, Reebok, Lacoste, G-star, Esprit, Hilfinger. Je bent wat je aantrekt. Je wilt iemand zijn, ergens bij horen. Voor een jongere geldt dat meestal nog sterker dan voor een oudere. Alhoewel? Het is voor een mens belangrijk iemand te zijn. Niemand wil een ‘nobody’ zijn. Maar ik ben niet wat ik heb. Ik ook ben niet wat ik aantrek. Petrus geeft ons een andere identiteit. Hij geeft vier benamingen, eretitels. Gods visitekaartjes, waar je je eigen naam op mag zetten. Een uitverkoren geslacht, dat is veelzeggend. Een voornaam geslacht, een genos (Grieks). Maar het zit niet in onze genen. Niemand is uit eigener vrije beweging naar God toegekomen. Het is de vrije keus van God die op je gevallen is. Zo vrij als Hij was om zijn eigen Zoon als de belangrijke Hoeksteen te kiezen, zijn Zoon die als een afgekeurde steen aan de kant werd gesmeten, zo vrij is Hij ook mensen te kiezen van wie je het niet had verwacht. Mensen die los van Hem waren geraakt als zwerfstenen, zijn ingevoegd als levende stenen op een hecht fundament. De keuze wordt niet bepaald door ras, door kleur: geel, zwart, rood en wit, of welke kwaliteit dan ook. Niet door opleiding of cultuur. Maar uit vrije keus van de Koning, uit pure liefde voor mensen die uit zichzelf niet voor Hem kiezen. Dat kun je alleen achteraf constateren en niet van tevoren bedenken of erover delibereren. Achteraf kun je, terugkijkend, zeggen: ‘Wie ben ik dat Hij zijn keuze op mij heeft laten vallen.’ Wie ben je? 1. Uitgekozen! Eerst geen volk, nu bent u Gods volk, eens viel Gods ontferming u niet ten deel, nu wordt zijn ontferming geschonken. Ook deze benaming roept veel op. Er zit een wereld achter. Het zijn woorden van Hosea. Hij moest uitbeelden dat Gods volk keer op keer vreemdging en flirtte met van alles en iedereen. Ze hadden overal tijd en aandacht voor, behalve voor God. Israël had z’n erenaam bezoedeld en was die daardoor kwijtgeraakt. Je kunt hem blijkbaar verspelen! Het mocht geen volk van God meer heten. Maar Hosea mocht ook aankondigen dat God Zich opnieuw zou ontfermen. Het zou een bruiloft worden na een herhaalde echtbreuk. Hij nam zijn volk weer terug. Dat is wat je noemt: ontferming! Dit beeld roept Petrus op, om te laten zien hoe diep Gods liefde gaat. Dat Hij mensen als u en ik aan Zich bindt, die totaal van Hem vervreemd waren en niets met Hem hadden. Onooglijke mensen waar Hij weer veel in ziet. Die vormen samen geen losse individuen, met alleen volwassenen, maar een volk van jong en oud. Aan elkaar verbonden en volop in beweging. Wie ben je? 2. Begenadigd! Uit het donker geroepen, naar zijn wonderbaarlijke licht. In het donker ben je niemand, een ‘nobody’. Niemand ziet je, niemand heeft oog voor je. Donker is ook het beeld van wat het daglicht niet kan verdragen. Of van allerlei duistere zaken die zich in het donker afspelen. Verdonkeremanen wat je in werkelijkheid doet of bent. Of nachtleven waar je niet echt vrolijk van wordt: je leeft je uit, maar wordt er niet gelukkig van. Als Gods licht op je valt, ben je pas echt iemand. Je komt in de schijnwerper van zijn aandacht. Pas in vergelijking met zijn heerlijke licht en zijn uitstraling, kom je tot de ontdekking hoe schemerig je bestaan voorheen was, hoe duister, zonder uitzicht, doelloos, zinloos, waar moet dat heen, waar doe ik het allemaal voor etc. Alleen in Gods licht ontdek je ook wat zonde is en wat je mist. (Daarom is het ook niet vreemd dat mensen geen flauw benul hebben van wat zonde is, als ze daar zelf niet eerst aan worden ontdekt! Als je alleen jezelf beoordeelt en op je eigen gevoel afgaat…). Paulus maakte het mee op klaarlichte dag: een schitterende verschijning van Christus die hij vervolgde. Een plotselinge ommekeer, een verschil van dag en nacht. Petrus ondervond het na de verloochening en kruisiging, toen Christus aan hem verscheen. Uit het donker naar het licht, zoals in het Midden-Oosten de duisternis plotseling invalt en het ’s morgens ineens weer licht is. Wie ben je? 3. In het licht gezet! Een koninkrijk van priesters! Dat is een uitdrukking uit het trouwboekje van Israël. Toen God zijn verbond sloot en trouw beloofde, noemde Hij zijn volk priesters. Een koninkrijk zelfs, een kroondomein, dat staat voor een kostbaar eigendom van een koning. Er was een aparte priesterstand van Levi en Aäron, die in het bijzonder aan God gewijd was. Zij hadden direct contact met God, liepen bij Hem in en uit, en brachten het ene offer na het andere om het volk bij Hem te vertegenwoordigen. Maar dat nam niet weg dat ook heel het volk ‘priester’ werd genoemd. Zoals priesters een eigen plaats hadden in Israël en voor hen bemiddelden bij God, zo mocht Israël onder de volken een eigen plaats innemen en God vertegenwoordigen. Priester zijn betekent hier: bekend staan als mensen die in contact staan met God en een relatie met Hem hebben. Dat was een speciaal voorrecht met extra verplichtingen, waar tot beschamens toe mee is gesold. Maar de positie was duidelijk: een heilige natie, geroepen om betrokken op God te leven. Dát maakte hen bijzonder. Ook deze erebenaming en eretitel wordt op christenen overgedragen. Geroepen tot direct contact met God via Christus de Hogepriester, als bemiddelaars tussen God en wereld. Een vorstelijke positie. Met speciale voorrechten en verplichtingen. Wie ben je? 4. VIP (Very important priest), priester voor God! Vier erebenamingen, eretitels. Die bepalen je identiteit als christen. Je wijst niet naar jezelf. Je ontleent je identiteit niet aan jezelf, maar aan Gód. Wie je bent, wordt bepaald door wie Hij is. Vaak krijgen heel gewone spullen bijzondere waarde als ze het eigendom zijn geweest van een beroemd iemand. De gitaar van John Lennon of Elvis. De viool van Paganini. Het shirt van… etc. Zo gaat dat ook hier op. Je kunt een eenvoudig mens zijn en je marktwaarde is misschien nul-komma-nul. Maar omdat je Gods kroondomein bent, door je geloof in Christus, ben je van grote waarde. Naarmate je je hierover verwondert, zul je van je laten horen en ervoor uitkomen. Waarom zou je je identiteit verbergen of verstoppen of je ervoor schamen? Waarom zou je een kameleon zijn die zich bij de omgeving aanpast? Het is schaamte tegenover God als je voor zo’n erepositie niet durft uit te komen. En het betekent een belediging voor Hem. Verstop je niet, verzwijg je identiteit niet. Want het gaat over God, je eigen Schepper. Ik ontleen mijn identiteit aan de Schepper in eigen Persoon! Natuurlijk, dat kan de nodige hoon en spot oproepen. Zo van: ‘ben je daar trots op? En moet je naar een Ander verwijzen om iemand te zijn? Erken je dat je jezelf niet kunt redden? Heb je aan je eigen naam en identiteit niet genoeg? Vreemd! En moet jij gered worden? Moest de keuze op jou vallen, kies je soms niet zelf, uit vrije wil?’ Verkiezing roept weerstand en protest op, het is ook een rots van ergernis. Hugo Claus ergerde zich aan ‘die intolerante godsdienst met zijn misdadige onzin over predestinatie. Ze hadden Paulus zijn hersens in moeten slaan’. (Een karikatuur overigens!, als God kiest, sluit dat menselijke vrijheid niet uit, maar in.) De ergernis over Gods vrije keuze, ben je bereid die te dragen? Heb je durf en moed om voor Hem uit te komen!? Als je te kijk wordt gezet, voor je gevoel voor joker staat, in de ogen van mensen verguisd en niet geacht. Besef je dan waar het voorname in zit, waardig iets van Christus kruis in de wereld te voelen. Vier eretitels, gooi ze niet te grabbel. Maar maak er dankbaar gebruik van. Laat zien dat je er trots op bent christen te heten. Niet van stand, maar van een uitgekozen geslacht. Niet als statisch geheel, er zit nog volop beweging in. Deze eretitels zijn ook niet bedoeld om ze alleen voor jezelf te houden en ermee te pronken. We hoeven niemand iets op te dringen, laat staan te dwingen. Het zijn Gods visitekaartjes waarmee Hij de aandacht wil trekken. Aanlokkelijk. Uitnodigend. Zoals in Zacharia klinkt: mensen die de Judeeërs aanklampen en vasthouden, met het dringende verzoek: mogen wij met u gaan, want wij hebben gehoord dat Gód met u is! Je wijst van jezelf af en verwijst naar Hem. Onze identiteit is bedoeld om zijn identiteit bekend te maken. God maakte ons wie wij zijn om de wereld te laten zien Wie Hij is. 2. Zeg, je bent niet alleen op de wereld. Je leeft maar niet voor jezelf. Dat kan iemand je zeggen als je helemaal in jezelf opgaat, en doet waar je zelf zin in hebt. Je trekt je weinig of niets van anderen aan. Dat lijkt op het eerste gezicht vrij, maar het blijkt op den duur eenzaam. Dat past ook niet bij een priester. Kenmerkend voor een priester is dat hij of zij niet voor zichzelf leeft. En dat je je niet laat beheersen door de vraag: waar doe ik het allemaal voor?, iets wat ieder mens zich van tijd tot tijd afvraagt. Maar voor Wie doe je het? Wat heb je voor Hém over? Dat je laat blijken dat je voor God leeft. We brengen geen offers meer, geen dierenoffers, reukoffers, dankoffers. Je had ze in soorten en maten. Maar daarmee zijn die inhoudelijk niet afgeschaft. Het is nog steeds de bedoeling dat je offert, maar dan dat je je zelf offert. Een geestelijk offer, welteverstaan. Je kunt een offer brengen doordat je de minste bent, en tijd en energie offert. Je kunt een dankoffer brengen doordat je je dank aan God uit en die aan een ander laat blijken, door niet mopperend en jammerend door het leven te gaan. Al die verschillende offers gaan richting God. Ze zijn publiek en zichtbaar en verspreiden ook nog eens een geur. En dat is precies de bedoeling: dat je je leven richt op God en dat er iets van je uitgaat. Priesters staan constant in actieve dienst, ze staan nooit op non-actief. Ze worden voortdurend ingeschakeld met heel hun hebben en houden. Zodat je je leven aan God wijdt in alles wat je doet, zoals je bent, met jouw karakter, en jouw mogelijkheden. Typerend voor een priester is de vraag: voor wie leef je, voor wie doe je het? En dat laten blijken. God neemt je als een priester in dienst om van Zich te laten horen! Hij wil dat we zijn grote daden benoemen en over God roemen. Hij wil niet dat je die voor je houdt, maar ze zoals een offer uitdraagt. Gods daden laten spreken, dat kwam helemaal tot uiting op de pinksterdag. Gods Geest maakte de tongen los. En ze waren zo vrijmoedig, konden er niet over uit. Ze waren niet vol van zichzelf, maar vol van wat God had gedaan. Dat Hij het zo had gewild, totaal anders dan mensen hadden kunnen bedenken. Van tevoren aangekondigd, maar zo verrassend uitgevoerd door Christus, zijn Zoon. Eerst was Hij bewonderd, maar daarna verafschuwd door mensen, verguisd, weggewerkt, en vervolgens door God zelf in ere hersteld bij zijn opstanding. Hoe Hij met mensen omging en omgaat, wat Hij van zijn liefde laat blijken, dat is te veel om op te noemen, daar raak je nooit over uitgepraat, en daar kun je niet over zwijgen. Doe je er het zwijgen toe, dan is er iets mis. Als je met een niet-gelovige spreekt, hoe lang je ook naar zijn vragen hebt geluisterd en in gesprek bent gegaan, dan moet er op den duur een moment aanbreken dat je Christus ter sprake brengt. Petrus grijpt terug op de profetieën van Jesaja. In het bijzonder Jesaja 43. Die prachtige bewoordingen: hoe waardevol je bent in Gods ogen. Hoe duur je bent gekocht. Wat Hij voor je over heeft, dat Hij van geen wijken weet. Die woorden worden gevolgd door: je wordt als getuige opgeroepen. Het kan onmogelijk dat je er het zwijgen toe doet. Getuige waarvan? Het verschil tussen de levende God en de afgoden, de nepgoden, die alle aandacht naar zich toetrekken en geniaal mensen weten in te palmen. Maar in feite zijn ze dood! Jesaja noemde de grootmachten van toen bij name. Wij kunnen ons er weinig meer van voorstellen. Maar daarvoor moet je gewoon andere namen invullen uit deze tijd, van tirannen en machthebbers die onderdrukken, de gevangenissen vullen, christenen onderdrukken etc. De grote mannen uit de vorige eeuw, de grote ideologieën, wat is er overgebleven van het nationaal-socialisme? Een grote puinhoop. Wat is er overgebleven van het communisme in de USSR? Wat zag je toen het ijzeren gordijn werd weggehaald: een failliete boel. Hetzelfde zal gebeuren met al die partijen en partijbonzen in China, in Noord-Korea en waar ook ter wereld. Uiteindelijk gaan ze eraan. En hetzelfde geldt voor alle grootmacht, glamour en glitter en wat de aandacht van mensen opeist en naar zich toe zuigt. Alles wat zijn of haar lof laat verkondigen buiten God om. Jesaja bazuint het uit, en verkondigt het in allerlei toonaarden. Hij alleen is God. De rest is afgod en niet echt, nep en namaak, inclusief alle andere religies! Hij, de Levende, blijft alleen over. Hij kondigt van tevoren aan en zal uiteindelijk het laatste woord hebben. Getuigen betekent dat je over objectieve feiten vertelt. Dat je maar niet je eigen gevoelens loopt te verkondigen, maar verhaalt wat God aan grote daden heeft gesteld in de geschiedenis: zijn daden benne groot! Genoeg om op te noemen. Daarvoor moet je natuurlijk wel die geschiedenis kennen, anders sta je met de mond vol tanden. Alleen, getuigen is niet alléen maar feitjes opzeggen. Er zit ook wel degelijk een ervaringskant aan. Dat je aan de ander laat blijken dat je er zelf ook door geraakt bent, dat je er zelf door gegrepen bent. Dat het jezelf iets doet: hoe God verrassend kan optreden, de wereld op zijn kop zet, alle verhoudingen omkeert. Hoe Hij lang kan wachten, maar ook het onrecht aanpakt als de maat vol is; want zijn tijd komt wel. Je kunt ook uit eigen ervaring getuigen hoe God een en ander heeft gedaan, wat Hij in je leven heeft uitgewerkt, welke verandering Hij heeft teweeggebracht. Hoe dan ook, zolang je maar van je laat horen dat God voor je leeft. Dat is niet slechts een voorkeur of specialiteit of vrijblijvend gebaar. Het is je bestemming! Hij heeft je gevormd om zijn lof te verkondigen (Jes. 43:21). Het is op zichzelf wel waar dat verkondigen eenzijdig is. Je vertelt, je verhaalt van wat God heeft gedaan, van feiten. Je vraagt niet in de eerste plaats om een mening die je uitwisselt. Maar het is beslist niet eenzijdig. Dat roept ook wel degelijk om een reactie. En dat hoeft niet à la minute, dat vraagt ook tijd. Het is dan ook niet terecht als verkondigen eenrichtingsverkeer wordt genoemd. Als je de boodschap van God brengt, kan dat niet zonder naar een ander te luisteren. Dat gebeurt in de Bijbel altijd, met opening van vragen, opmerkingen, ruimte voor kritische vragen en reacties. Het maakt nogal verschil of je stuit of onbekendheid, onverschilligheid of vooroordelen. Je hoeft ook niet overal een antwoord op te weten. Jouw taak is te laten merken dat je God hoog hebt. Dat is verkondigen, uitdragen, zonder dat je zelf wilt sturen of een ander probeert in te palmen. Vertrouwen op God maakt je mild tegenover een ander. Je hoeft jezelf ook niet te verdedigen. Je hoeft ook niet te overtuigen. Je hoeft alleen te getuigen. Het is niet mijn werfkracht, het is zijn trekkracht die het moet doen. Merkt u dat dit een heel andere houding is dan triomfalistisch: wij zullen wel eens als christenen de wereld veroveren en mensen gaan winnen. Hemelse klauterpartijen. Als christenen de wereld willen gaan veroveren, op welk terrein ook, verovert de wereld christenen. Je blijft vreemdeling, een minderheid oog in oog met alle volken van de wereld, en de praktijk is weerbarstig. Maar laat je niet in het getto duwen, alsof christenen maar hun eigen religieuze hobby moeten gaan bedrijven. Kijk dan naar Openbaring 5. Christus het Lam, zwak en kwetsbaar. Hij staat als een Lam fier overeind. De enige die leeft na de dood. Hij is de Leeuw die als enige de boekrol kan openen. Hij is al Overwinnaar. En Hij roept ons achter Hem aan, om Hem te volgen waar Hij ook gaat. Het is een grote eer om Hem te volgen! Hoe smal de weg ook mag zijn door deze wereldgeschiedenis heen en hoe moeilijk Hij soms te volgen is. Hoe weinig aandacht Hem ook wordt gegeven, en hoe Hij soms ook straal wordt genegeerd en verguisd. En toch, Christus torent hoog boven alles en iedereen uit. In Openbaring klinkt al een loflied, een lofprijzing. Want wie in Christus gelooft, juicht nooit te vroeg. En dat nieuwe lied klinkt nu al, op deze geteisterde aarde. Het mag al klinken dat Hij Overwinnaar is. En het klinkt uit de monden van priesters die Hij in dienst neemt. U hebt voor onze God uit hen een koninkrijk gevormd, kroondomein. En hen tot priesters gemaakt, voortdurend in actieve dienst, wat er ook gebeurt, en hoe het er ook met je voorstaat (Op. 5:10). Machtig mooi om op zijn naam te staan. Een eer om naar Hem genoemd te worden met de eretitels: Uitgekozen, Begenadigd, In het licht gezet, VIP-priester voor God. Dan niet meer als visitekaartjes, maar letterlijk op hun voorhoofd te lezen (Op. 22:5)! Om voor altijd en eeuwig minister te zijn van de Goddelijke kroon. Amen.
7. Christelijk betrokken bij de samenleving(기독교 공동체에 참여하라)/시96:1-4,마5:11-16,벧전2:11-17,시97:1,3,5,딤전2:1-7/네덜란드어(화란어)설교(Dutch Sermons)
7. Christelijk betrokken bij de samenleving(기독교 공동체에 참여하라) 시96:1-4,마5:11-16,벧전2:11-17,시97:1,3,5,딤전2:1-7 7. Christelijk betrokken bij de samenleving Liturgie: Ps 96 : 1-4 Tien Woorden Gez 1 : 1-6 & 13 Matteus 5 : 11-16 1 Petrus 2 : 11-17 Ps 97 : 1, 3, 5 1 Timoteus 2 : 1-7 Gez 38 : 4-7 1 Petrus 2 : 11-17 NG 57 Offerande Ps 68 : 11 & 13 Gemeente van onze Here Christus, mijn broeder en mijn zuster, Volgens een recent onderzoek zal binnen tien jaar ongeveer 70% van de Nederlandse bevolking niet meer kerkelijk zijn. In de vorige eeuw was dat cijfer precies omgekeerd. Wat zal onze samenleving ervan merken als er steeds minder christenen zijn? Zal dat inderdaad merkbaar worden? Zal de samenleving er meer door verkillen en liefdelozer zijn? Of zal dat juist betekenen dat die minder christenen een krachtiger uitstraling krijgen? Immers, de meest overtuigde christenen blijven over. De mensen die alleen in naam christenen waren, vallen weg. En daar hoef je niet rouwig om te zijn. Wat heb je aan veel zout, als een groot deel zouteloos is? Wat heb je aan veel licht, als het merendeel gedimd wordt? Zelfs als christenen een grotere minderheid gaan vormen, dan nog kan er veel kracht van hen uitgaan. Een beetje zout heeft genoeg invloed. Een beetje licht heeft uitstraling, naarmate het donkerder wordt om je heen. Wij hoeven ons door negatieve prognoses niet te laten weerhouden. En ons zeker niet te laten opsluiten. De vraag is wel eens gesteld: wat zou de Waddinxveense samenleving ervan merken als er geen kerken meer zouden staan? Wat gebeurt er wanneer die morgen worden opgeheven, behalve dan dat het kaal zou staan, die lege gebouwen? Wat kunnen wij als christenen voor deze samenleving betekenen? Welke houding wordt van u, van jou en mij gevraagd, om daadwerkelijk christen te zijn? Petrus wijst ons hier een weg. Het is een belangrijk thema in zijn brief: christelijke aanwezigheid in het openbare leven. Nota bene met een overheid die christenen bedreigt en gaat vervolgen, roept hij op zich niet terug te trekken, maar juist aanwezig te blijven. Christenen moeten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen! Maatschappelijke structuren vormen geen noodzakelijk kwaad, maar vragen daadwerkelijke deelname. De positie van christenen wordt op een positieve manier ingevuld. Er wordt op ons gelet! Dat moet ook, Gods christenen mogen en moeten gezien worden in zijn samenleving. Vreemdelingen met uitstraling zijn christelijk betrokken bij de samenleving 1. het goede naleven, 2. respect voor overheden, 3. vrij voor dienstverlenen. 1. ‘Dat noemt zich dan christenen… Houd ze in de gaten. Die zijn geen haar beter, zo niet slechter. Een kerk verandert mensen ook niet. Daar worden ze echt niet beter van, alleen maar schijnheiliger...’ Dit soort kwaadsprekerij is van alle tijden. Die vooroordelen hebben altijd bestaan. In de dagen van Petrus werden de eerste christenen zelfs voor misdadigers uitgemaakt. De vervolgingen waren nog niet echt begonnen, maar de eerste verdachtmakingen waren allang gemaakt. Christenen werden in een zo kwaad daglicht gesteld, dat keizer Nero makkelijk een zondebok kon vinden voor de branden die werden gesticht. Met als gevolg, vreemdelingenhaat-christenhaat. Dan hebben we het over kwade verdachtmakingen en gemene insinuaties. Maar geven mensen die christen heten, er soms ook geen aanleiding toe? Het komt voor dat die oneerlijk zaken doen en steekpenningen gebruiken. Het gebeurt dat die zich asociaal opstellen en zich onttrekken aan de buurt waarin ze wonen. Het kan gebeuren dat zij de neus ophalen voor minderheden en allochtonen. Of dat ook christelijke jongeren dronken rondzwalken en vernielingen aanrichten. En nog zo veel meer. Daar sta je dan met je goede gedrag. Was dat bij die eerste christenen dan nooit het geval? Gaven die altijd het goede voorbeeld? Petrus is realistisch genoeg. Niet menselijks is hun vreemd. Want hij begint met een dringend verzoek: niet toe te geven aan zelfzuchtige verlangens. Daar hadden zij blijkbaar ook mee te maken, zoals ieder mens daar last van heeft. Als je christen bent, zijn die egoïstische verlangens niet één-twee-drie verdwenen. Petrus gebruikt er oorlogstermen voor. Dit soort verlangens belagen je, bestrijden je, vechten je aan. Die komen in alle hevigheid op je af, of van binnenuit, of van buitenaf. Hij begint dus niet met het eisen van goed gedrag. Gedragsverandering heeft geen zin als de inborst hetzelfde blijft. Hij wil dat je je eerst bewust wordt van je kwade inborst. Ten diepste is dat zelfgericht zijn, aan je eigen trekken willen komen, aan jezelf denken, voor een goed gevoel leven. Hier klinken de woorden van de Here Jezus zelf door: ‘Wat baat het een mens als hij heel de wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel.’ Je kunt alles hebben wat je hartje begeert, maar als je ziel de vernieling ingaat... Je ziel, dat ben jezelf, dat is je diepste innerlijk, je leven oog in oog met God. Op allerlei manieren worden wij vandaag gewaarschuwd: dit is schadelijk voor je lichaam, dat is schadelijk voor je uiterlijk, dit is schadelijk voor je bezit, dat is schadelijk voor je kinderen, dit is schadelijk voor het milieu etc., oorlog tegen alles wat schadelijk is. Terecht op zichzelf, maar wie vandaag waarschuwt dat iets schadelijk is voor je ziel!? Het betekent dat je je constant afvraagt: voor mij kan het oké zijn, maar is dat ook goed voor mijn leven met God? Petrus begint niet met het goede gedrag, de buitenkant, hij wijst eerst op de binnenkant. Maar niet zonder te beginnen waar hij telkens in zijn brief mee begon. Wat maakt christenen vreemdeling, dat zij zoveel anders en beter zijn?! Hij zet anders in. Geliefde broeders en zusters! Geliefd...! Ze zijn geliefd, dát maakt hen zo anders. Uitgekozen, Gods oog is op hen gevallen. Ik ben geliefd en iedereen mag het weten. Die liefde van God gaat dieper en verder dan alle menselijke liefde bij elkaar, vader-, moeder-, broederliefde. Hij houdt nog meer van mij dan ik mijzelf lief kan hebben. Om met Spurgeon te spreken: ‘Sommigen van ons weten hoe het is werkelijk vreugde te hebben gevonden in het leven. Dit komt doordat zij de liefde van God zo overweldigend ervaren, dat ze God bijna moeten vragen of het niet iets minder kan!’ Daar begint Petrus mee en daar staat of valt alles mee. Hoe ik ook ben en wat er van mij geworden is, ik ben geliefd. Het is ook de enige manier om goed te beginnen. Als je begint met het goede gedrag, maak je een valse start. Als je die liefde nooit ervaart, zou ik niet weten hoe je kunt voorkomen dat je je identiteit in andere dingen blijft zoeken, zoals in geld, werk, macht, gezin, uiterlijk. Je zult geen ‘zelf’ hebben en je altijd blijven afvragen wie je bent. Maar zeg eens tegen die ander: ik ben geliefd, wist je dat? Zeer geliefd. Ik ben beroemd, niet door mijn prestatie, maar door Gods relatie met mij. Dat is de belangrijkste motivatie om goed te doen! In feite is dat niet anders dan de Heer Jezus doet als Hij oproept ons van de goede kant te laten zien. Hij begint niet met de oproep zoveel mogelijk uit te stralen. Hij begint met de belofte: u bent het licht, straal het dan ook uit. En: u bent het zout, wees dan niet zouteloos. Tob niet over je invloed, ga er niet aan werken, begin met je uitgangspunt te kiezen in wie je bent. Naarmate je daar verwonderd over bent en ook blijer mee bent, zal dat ook tot uitdrukking komen. Hoe meer je van God zelf onder de indruk bent, hoeveel Christus van je houdt, des te meer zal dat ook tot uiting komen in wat je doet. Verder heeft Christus zelf beloofd dat Hij het goede in je zal uitwerken. Hij heeft je niet voor niets gered en op de weg met zijn Vader gezet. Het is zijn bedoeling zijn Vader ermee te eren! De oproep van Petrus is indringend: ga het gevecht aan met je kwade inborst, met zelfzuchtige verlangens en eigen belangen, grote ego’s. En hij roept onbekommerd op, het goede te doen. Maar hij doet dat dus niet zonder eerst te markeren wie je bent: geliefd! Het kan dan niet anders, of je verlangt als christen uit liefde voor God het goede te werken. Maar wat is goed? Goed is allereerst wat God goed vindt. Dat je je afvraagt waar je Hem genoegen mee doet. Niet waar je zelf altijd beter van wordt: dromen van een mooi huis, mooie inrichting, nieuwe auto, volgende vakantie, rianter salaris, dromen van genezing en herstel, een onbekommerd leven. Het kan en mag, maar moet niet voorop staan. Het is de bedoeling dat je eigen passies ondergeschikt gemaakt worden aan een passie voor God. Wat Hem groot maakt, wat Hij mooi en waardevol vindt. Waar je Hem en de je medemens goed mee doet. Wat God goed vindt, botst heel vaak met wat mensen goed vinden. Zeker in een moderne maatschappij waarin mensen al snel roepen: dat moet kunnen, dat bepaal ik zelf, ik maak zelf uit wat goed voor mij is etc. Wanneer je gaat voor wat Gód goed vindt, kun je uitgemaakt worden voor saai, preuts, bekrompen, benepen, ouderwets. En dat kan ook makkelijk tot spot en hoon leiden. Bij Petrus blijkt ook dat mensen zich ergeren aan die christelijke levensstijl. Dat is vandaag niet veel anders. Als je een zondag wilt inrichten als dag voor God, waarop je veel laat liggen uit liefde voor Hem, kan dat vervreemding oproepen! Het gaat er ook niet in de eerste plaats om dat je goed wilt doen, omdat je daar zelf zoveel beter van wordt, maar om God eer te bewijzen. Zodat anderen aan jou merken wat jij voor God over hebt, en hoe hoog je Hem hebt. Dat het je niet om regeltjes gaat of om jezelf, maar dat je uiteindelijk uit liefde voor God het goede wilt uitwerken. Dat betekent ook heel concreet dat je het kwaad door het goede wil overwinnen. Er zijn tal van manieren te bedenken om kwaad met kwaad te bestrijden, je pakt iemand terug, je scheldt een ander ook de huid vol, je zet een ander betaald, je neemt wraak, je negeert een ander ook. Of je probeert juist op een verrassende manier iets goeds ertegenover te zetten. Dan kan een ander je voor gek verklaren als je er zelf minder van wordt, maar als je het doet om God te verheerlijken, zal dat uiteindelijk iets goeds uitwerken. Het kan zelfs een kans worden om een ander te bereiken, zodat die tot het inzicht komt dat hij verkeerd bezig is. Een christen in China had een hooggelegen rijstveld dat hij elke dag met veel moeite onder water pompte. Als hij het werk achter de rug had, kwam iemand die er ook een veld had. Die stak de dijk door zodat het water van de hooggelegen percelen van de christen op zijn eigen lager gelegen akker stroomde. Dan kon zijn buurman op het heetst van de dag opnieuw beginnen. Wat moest die man nu doen? Op zijn beurt bij hem de dijken doorsteken? Kwaad met kwaad vergelden? Wonderlijk genoeg deed hij dat niet. Voortaan stond hij nog vroeger op, pompte eerst het lager gelegen rijstveld van zijn vijand onder en begon vervolgens aan het zijne. Dat deed hij dagen achter elkaar. Al te goed is buurmans gek? Er is geen sprake van dat deze man het werk van zijn vijand goed praatte. Maar hij ging het kwaad te lijf door er een goede daad tegenover te stellen. Zo werd het kwaad gebroken, want zijn vijand was hier niet tegen opgewassen, en deed verwonderd navraag. Dit voorbeeld laat zien dat je veel van het goede mag verwachten, als je het niet ter ere van jezelf doet, maar ter ere van God. Het gaat niet om geweldloze weerbaarheid, maar om verheerlijken van God. Omdat God jouw goede daden wil gebruiken om het kwaad te breken en anderen tot inzicht te brengen dat Hij er is. Er komt een dag waarop God zal rechtspreken. Op die dag zullen velen bij nader inzien God eer bewijzen om het goeds dat Hij in mensen heeft uitgewerkt. Waar ze nu nog over smalen en kritiek op uitoefenen, daar zullen ze dan God om verheerlijken. Hij krijgt hoe dan ook eer van zijn werk, is het niet goedschiks, dan wel kwaadschiks! 2. Voelt u, voel jij je betrokken bij de politiek, bij dagelijkse bestuurders? Voor de gemiddelde Nederlander is die betrokkenheid steeds minder geworden, zowel op landelijk als op plaatselijk niveau. Alles moet uit de kast worden gehaald om de aandacht te trekken van de burgers, van de ene hype in de andere; op de golven van de media. De dagelijkse regelgeving van bestuurders geeft soms veel reden om te mopperen, vooral als het gaat om bezuinigingen en belastingmaatregelen. Ook dan komt naar voren of er sprake is van zelfzucht of eigenbelang. En hoe komen de bestuurders ervan af, ga je mee in het belachelijk maken en denigreren van ministers en bestuurders? Doe niet mee aan die flauwe en banale praatjes. Van christenen wordt gevraagd dat zij juist het goede voorbeeld geven in respect voor overheden, landelijk en plaatselijk. Christenen moeten opvallen, niet als kritische en betweterige, maar als loyale burgers. Petrus vraagt het zelfs van christenen die dreiging en tegenwerking ondervonden van de plaatselijke bestuurders. Zoals dat nog steeds op veel plaatsen in de wereld zo is. Christenen kunnen niet op medewerking rekenen van de autoriteiten. Het lijden kan je verleiden je uit de samenleving terug te trekken. Het ligt dan voor de hand dat onderdrukten ook geen respect opbrengen voor de bestuurders en het ambtelijk apparaat verguizen. Dat werd ook gesuggereerd in de roddel: christenen staan met de rug naar de maatschappij toe, ze zijn staatsvijandig en staatsgevaarlijk, omdat zij niets van keizerverering moesten hebben. Petrus is er duidelijk over: erken het gezag van bestuurders, van de keizer, de hoogste autoriteit, tot aan de plaatselijke gouverneurs. Het gezag erkennen betekent nog niet altijd het gezag gehoorzamen! Er zijn grenzen, je moet Gód meer gehoorzamen dan mensen. Maar het gezagsgetrouw zijn en loyaal blijven gaat wel heel ver. Zelfs in de tijd van vorsten als Nero en Herodes en stadhouder Pilatus! Vanwaar die erkenning? Omdat gezag gezag is, Befehl ist Befehl? Puur om de macht? Nee, omwille van de Heer! God wil het zo. Hij wil op deze manier de wereld regeren. Hij heeft die structuur gekozen en gezagsverhoudingen ingesteld. Hij laat mensen als Verdonk en Balkenend bijzondere verantwoordelijkheid dragen. Dat is bewust en met opzet en niet vrijblijvend. God wil mensen gebruiken om het kwaad te beteugelen, onrecht tegen te gaan, misdadigers straffen en het goede belonen. Dat zou vandaag betekenen: prioriteit stellen in veiligheid (misdadigers straffen). En voorrang geven aan de aandacht voor normen en waarden (het goede belonen). De bestuurders staan dus niet los van God, zelfs al erkennen ze Hem niet, Hij schakelt ze in en gebruikt ze. Beter een slechte overheid, waarop veel is aan te merken, dan helemaal geen overheid (anarchie). Als iedereen het voor het zeggen heeft, heeft niemand het meer voor het zeggen. Petrus heeft zijn woorden zorgvuldig gekozen. Hij heeft het niet in het algemeen over overheden en ambtelijke apparaten. Hij kiest voor de benaming ‘schepping’ en ‘schepsels’. Het gaat hem niet om een onpersoonlijk bestuursapparaat, maar om de concrete mensen die je voor je hebt, met wie je landelijk en plaatselijk te maken krijgt. De burger krijgt te maken met gedelegeerden in de praktijk. Dat zijn niet altijd de meest vriendelijke gezichten van het gezag. Aan de ene kant vraagt dat erkenning dat een bepaald mens door God wordt ingeschakeld. Geen supermens of godheid, het zijn ook maar mensen met de nodige beperkingen. Je zult je naar die ander moeten schikken, ook al ligt die persoon je niet en heb je heel wat op hem of haar aan te merken. En tegelijk zit daar ook de moeilijke kant aan dat superieuren mensen zijn die kunnen falen, irriteren en onrechtvaardig handelen. Dat kan het extra moeilijk maken om je te schikken. Maar loyaliteit als christen moet vooropstaan, en niet kritiek op overheidspersonen, hoe verleidelijk dat ook kan zijn. Christenen worden geroepen als mensen die zich schikken. Geschikte mensen voor de samenleving, die niet dwarsliggen, maar meewerken. Vooral omdat God de hoogste Autoriteit is in Den Hemel. Daar blijft het niet bij. Van een overheid mag ook een positieve inbreng worden verwacht. God heeft die niet alleen ingeschakeld om het kwaad in te dammen en te bestraffen, maar ook om het goede te belonen! Dat gebeurde ook door een Romeinse overheid. De goede burgers kregen allerlei onderscheidingen, kransen, titels. Uit inscripties uit die tijd kun je opmaken dat de overheid ook een positief beleid voerde, dat stimulerend en belonend was naar de burgers toe. En dat met de bedoeling goed gedrag aan te wakkeren. Dat ging niet in het verborgene, het werd ook publiek gemaakt. Petrus speelt daarop in. Als christenen zo’n onderscheiding krijgen of worden opgemerkt, betekent dat reclame voor de christelijke gemeente. En dat kan kwade geruchten indammen of mensen de mond snoeren (muilkorven). Door sterke betrokkenheid bij het dagelijks leven in de samenleving kunnen christenen vooroordelen opruimen en de nodige goodwill kweken. Op zijn minst kun je dan bereiken dat negatieve geluiden verstommen, al zal dat niet meteen veranderen in een positieve beoordeling. Het kan al te makkelijk zijn om het christelijke geluid over te laten aan politici die als christen hun werk willen doen. Maar van een christen mag meer verwacht worden dan dat hij alleen in een stemhokje op de stemknop van een politieke partij drukt. Betrokken bij de samenleving, bereidheid om mee te werken, je constructief op te stellen; bereid om verantwoordelijkheid te dragen in allerlei instellingen, van armoedebestrijding tot aan ouderenzorg, actief te zijn in verenigingsleven, sportclub etc. Betrokkenheid bij de samenleving vraagt loyaliteit aan de bestuurders. Niet het minst door te bidden voor overheidspersonen die extra verantwoordelijkheid hebben gekregen. Wie ontzag heeft voor God, toont respect voor de bestuurders die Hij inschakelt. 3. Vrijer dan een christen kan een mens niet zijn! Van Luther bestaat een prachtige uitspraak over vrijheid. ‘Een christen is een vrije heerser over alles, aan niemand onderworpen. Een christen is op en top dienstknecht van alles, onderworpen aan allen.’ Dat lijkt tegenstrijdig, maar wordt duidelijk als je het naast de woorden van Petrus legt. Leef als vrije mensen en als slaven/dienaren van God. Wij zijn slaven/dienaren van God. Slaven omdat Gods gezag over ons absoluut is. Hij is de hoogste Autoriteit. Vrije mensen, omdat Hij de harten verandert zodat wij graag doen wat Hij ons opdraagt. Je bent vrij mens! Door Gods bevrijdende liefde voor jou hoef je niet aan al die verwachtingen te voldoen die andere mensen van je hebben. Verzet je dus tegen de druk die je omgeving je oplegt. Je hoeft niet altijd druk te zijn. Neem de tijd. Je bent geen slaaf van mensen of van de macht van de gewoonte. Vrij van wat mensen je opdringen, vrij van het zoeken van de meerderheid, vrij van populisme en de ene golf na de andere. Niet gebonden aan wat mensen vinden, denken en voelen. Je bent vrij en aan niemand gebonden, behalve aan God. Je kunt onafhankelijk tegenover mensen staan, als je afhankelijk bent van God. God bevrijdt een mens van alles wat hem aan banden kan leggen en vastlegt. En als Hij je vrij maakt, is dat niet om dat alleen voor jezelf te gebruiken. Dan wordt het weer zelfzuchtig.Vaak zijn wij druk, druk, druk. Wat we doen, is werken aan ons eigen portfolio. We zijn bezig met onszelf. We gaan naar de kerk, maar neem je ook de tijd om anderen te dienen? Jij bent gemaakt om met jouw mogelijkheden en kwaliteiten anderen van dienst te zijn. Daarvoor ben je bevrijd om goeds uit te werken. God bevrijdt altijd tot. Hij zet je in. Wil je geen slaaf van mensen zijn, dan moet je in dienst van hen staan. Gods slaven zijn zo vrij, dat ze ingezet worden. Dat ze respect krijgen voor alle mensen. Die waardering voor alle mensen springt naar voren. Eer allen, zonder beperking of diskwalificatie. Eren is waarderen, de ander in zijn of haar waarde laten. Ongeacht positie, ras, nationaliteit, huidskleur, bezit. Het individu wordt niet opgeofferd aan het geheel. Iedere persoon dient tot zijn recht te komen. De eerste christenen kregen aandacht toen men merkte dat ze niet alleen hun eigen armen en ouderen en sociaal zwakken verzorgden, maar ook de anderen. Zonder aanzien van de persoon, zonder onderscheid te maken. Zijn er niet veel mogelijkheden om christelijk aanwezig te zijn in de samenleving? Voor de zomer werd een eerste idee geopperd een initiatief te ontplooien: een eethuis, een opvangcentrum, een voedselbank. Dat vraagt creativiteit, durf, doorzettingsvermogen, maar vooral ook gebed. Het hangt ook niet af van dit soort initiatieven; wat in het klein gebeurt en onzichtbaar voor menigeen, wordt altijd door Eén gezien! Petrus zal ook niet het evenwicht uit het oog verliezen. Houd iedereen in ere, heb de broeders en zusters lief. Onderscheid moet er wezen. Dat sluit aan bij Paulus: doe goed aan allen, in het bijzonder aan je geloofsgenoten (Gal. 6:10). Het één mag niet ten koste gaan van het ander. De aandacht voor de buitenstaander mag niet het gemeenteleven in de weg staan. De liefdeband springt er opnieuw uit, omdat je daarin juist moet oefenen, om ook lief te hebben naar buiten toe. En de broederkring in de wereld moet versterken. Christus navolgen betekent loyaal naar de samenleving toe. Niet met je rug, maar met je gezicht naar de samenleving toe. Christen, laat je niet kisten, je mag gezien worden, je hebt niets te verbergen. Je wordt geroepen het goede uit te werken! De grootste aantrekkingskracht van de christelijke gemeenschap is dat men ondanks kritiek toch het goede voor de ander blijft zoeken. Eigen christelijke identiteit betekent maximale betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor de samenleving. God is de Hoogste Autoriteit. Hij maakt gebruik van maatschappelijke structuren en van allerlei schepsels, concrete mensen met wie je van doen hebt. Wie ontzag heeft voor God, houdt iedereen in ere. Dat ik toch vroom mag blijven, uw dienaar ’t aller stond; de tirannie verdrijven die mijn hart doorwondt. Amen.
8. Christus hoog hebben(존귀하신 그리스도)/시99:1-4,벧전3:8-12,시34:4-5,사8:11-18,벧전3:13-17,시34:7-8,시98:3-4/네덜란드어(화란어)설교(Dutch Sermons)
8. Christus hoog hebben(존귀하신 그리스도) 시99:1-4,벧전3:8-12,시34:4-5,사8:11-18,벧전3:13-17,시34:7-8,시98:3-4 8. Christus hoog hebben Liturgie: Ps 99 : 1-4 NG 80 Schuldbelijdenis en genadeverkondiging 1 Petrus 3 : 8-12 Ps 34 : 4-5 Jesaja 8 : 11-18 1 Petrus 3 : 13-17 Ps 34 : 7-8 1 Petrus 3 : 13-17 Ps 56 : 3-4 Tien Woorden LB 442 Offerande Ps 98 : 3-4 Gemeente van onze Here Jezus Christus, mijn broeder en mijn zuster, Als via jou een mens tot Christus komt, is dat belangrijker dan al het andere dat je ooit in je leven zult bereiken. Een gesprek voeren met een niet-christen over je geloof is niet eenvoudig. Meestal worden vragen gesteld waar je zelf nog nooit over hebt nagedacht. Tja, waarom is dat eigenlijk zo? Je weet dat God het zo heeft gezegd, maar hoe het precies zit, en waarom dat zo is. Geen idee... Of je krijgt vragen voor je voeten geworpen waar je zelf ook mee worstelt en niet uit bent. Hoe kan ik in een goede God geloven, met zoveel lijden en rampen? Waarom zoveel afschuwelijke gebeurtenissen? Als de waarheid zo eenvoudig is, waarom maken mensen het dan zo moeilijk? En ga zo maar door. Soms sta je dan met de mond vol tanden en moet je het antwoord schuldig blijven. Maar het is ook zeer de vraag of je zulke vragen wel moet kunnen beantwoorden. Is het mogelijk, is het nódig om op alle vragen een sluitend antwoord te geven? Ik geloof er niets van. Je hoeft niet van alles verantwoording af te leggen. Petrus vraagt dat je verantwoording aflegt van de hóóp die in je is. Dus dát je in Christus gelooft, hoeveel je van Hem verwacht. Want stel dat een ander doorvraagt, waarom je zelf gelooft en je zegt: omdat mijn ouders naar de kerk gaan, ● ik ben het gewend en weet niet beter, ● ik ben zo opgegroeid en het zijn goede normen en waarden, ● het lijkt mij een goede gok, je weet naar nooit, ik wil niet in de hel komen, ● ik neem het zekere voor het onzekere, ● ik heb nu eenmaal voor deze godsdienst gekozen, het had evengoed een andere kunnen zijn, als ik in Saoedi-Arabië was geboren, was ik moslim geweest etc. Dat zijn nou niet bepaald sterke antwoorden die krachtig overkomen. Het is een enorm zwaktebod om in Christus te geloven. Het is zelfs de vraag of dergelijke antwoorden getuigen van levend geloof. Maar het geeft ook bepaald geen goede reclame voor Christus. Het is in feite een belediging voor Hem als je nagaat wie Hij is: de Heer van het heelal, de grootste Mensenliefhebber, de Redder van de wereld. En nog zoveel meer. De kern van evangeliseren is volgens Petrus: vragen oproepen. Om vervolgens Christus te erkennen als Heer en Hem te eren met heel je hart. Dat is de kernzin! Daar gaat kracht vanuit van binnen naar buiten. Vreemdelingen met uitstraling: hebben Christus heel hoog, diep van binnen naar buiten Dat: 1. drijft angst uit voor mensen, 2. leidt tot hoopvol getuigen, 3. maakt bereid lijden te verduren. 1. Angst voor mensen. Dat zit er diep in. Petrus heeft er ook oog voor. Hij weet hoezeer angsten een rol spelen bij de christenen aan wie hij schrijft. Je krijgt sterk de indruk dat er sprake was van intimidatie. Christenen werden in elk geval niet geaccepteerd en ook steeds minder getolereerd. De omgeving laat zich honend uit over hun goede christelijke levenswandel. Door hun veranderd gedrag horen ze er niet meer bij en worden ze steeds meer buitengesloten. En in de praktijk blijkt dat sommigen onrecht wordt aangedaan, met name christelijke slaven, dus in de arbeidsverhoudingen gaat ’t grondig mis (2:18v). Daar blijft het niet bij, ook christelijke vrouwen worden door hun ongelovige mannen geïntimideerd en bedreigd. Want Petrus roept op dat zij het goede moeten blijven doen, geen kwaad met kwaad vergelden en zich geen angst moeten laten aanjagen (3:6). Als het gaat om de verhouding tussen christenen en niet-christenen, kan angst een belangrijke rol spelen. Het hangt af van de situatie, maar nog steeds is het zo dat angst en schaamte ons belemmeren in het openlijk christen zijn. Neem de volgende situaties: Angst om afgewezen te worden en buitengesloten. Je houdt je in en komt niet te sterk naar voren met je christelijke overtuiging, want daardoor zou je buiten de groep komen te staan. Angst om erkenning te verliezen, achteruitgezet of aan de kant gezet, op school, op je werk. Je bent bang dat je te kijk wordt gezet. Bang om belachelijk gevonden te worden. Of zelfs belachelijk gemaakt om je standpunten. Bang voor spot en hoon, striemende opmerkingen. Daarom houd je je op de vlakte of op de achtergrond bij inhoudelijke gesprekken. Want wat zullen ze wel niet van je denken en van je vinden? Angst om moeilijke vragen te krijgen waar je het antwoord niet op weet. Je gaat moeilijkheden uit de weg en mijdt iedere confrontatie, uit onvermogen en onwetendheid. Angst is een slechte raadgever. Dat geldt hier in het bijzonder. Petrus gaat erop in en hij benoemt de angsten gelukkig. En dat is al heel wat. Angst is niet raar en Petrus kijkt er niet vreemd van op. Hij begint met de onderkenning van de angst: bewustwording. En hij roept op je niet door angsten te laten leiden. Wees niet bang voor dreigementen. Laat je niet intimideren. Wie zou je kwaad doen? Wat kan een ander mens je maken als je van Christus bent? Hierin klinken de woorden weer door van onze Heiland: wees niet bang voor wie je lichaam en psyche kunnen pijnigen, maar hebt ontzag voor Hem die je ziel kan doden (Mat. 10:28). Niet bang zijn voor mensen, gaat samen met ontzag voor God! Petrus sluit aan bij een Godswoord aan Jesaja. Jesaja moest namens God de angst voor mensen onthullen. Het volk, inclusief de koning, staat doodsangsten uit dat ze worden binnengevallen door buurlanden. Ze zijn druk in de weer met politiek en diplomatie. Bang voor menselijke dreigementen! Maar dat is een direct gevolg van gebrek aan vertrouwen in God. Wie bang is voor mensen, stemt tegen de geloofwaardigheid van God en eert Hem niet met heel zijn hart. Dat vat God als een grote belediging op. En dan klinkt het: wees niet bang voor mensen, maar voor de HEER van de hemelse machten moet je ontzag hebben! Met andere woorden: vijanden boezemen ontzag in, maar ik zou willen dat ze iets van dat ontzag voor Mij hadden. God niet bevallen is angstaanjagender dan mensen niet bevallen! Petrus trekt deze lijnen door naar Gods Zoon. Wees niet bang voor mensen, maar erken Christus als Heer en eer Hem met heel je hart. Mensen kunnen grote woorden gebruiken en je kwaad aandoen. Maar wat kunnen ze je maken!? Wees eerder bang om Christus’ liefde te verliezen. Het is niet zo erg als je met de mond vol tanden staat en geen antwoord weet. Wat Hij erg vindt, is: ongeloof, gebrek aan vertrouwen, niet genoeg aan Hem hebben, jezelf willen redden, jezelf staande willen houden. Dat is een belediging voor Hem. Het is zijn eer te na dat je Hem, de Levende die de dood heeft overwonnen, niet zou vertrouwen. En dat je je zo laat intimideren door sterfelijke mensen. Christus is eergevoelig. Hij heeft daar ook alle recht en reden toe. Want Hij is Heer van het heelal, de Allerhoogste Heer: ‘above all power, above all kings, all nations, and all created things, all wisdom, treasures of the earth’ (Michael W. Smith). Tegelijk ook Heer van je leven. Hij is je schat, Hij is je alles! Hij wil alles met jou delen. En Hij vindt het een ramp als Hij wordt buitengesloten, erger dan dat jij door mensen wordt buitengesloten die Hem niet moeten. Erken Christus als Heer. Dat gaat samen met niet bang zijn voor mensen. Schuil bij Hem. Angst is begrijpelijk. We hebben angst die overwonnen moet worden door de belofte van Christus zelf. Twijfels die moeten worden beantwoord door zijn aanwezigheid. Laat je geen angst aanjagen, maar laat de angst telkens door Christus wegjagen. Liefde voor Hem drijft angst uit. Hij is Heer! Heer en meester in het heelal. Waarom zou ik dan nog vrezen? Hij kan de dood aan, al het kwaad is Hij meester. Hij, de Heer van het heelal, is Heer over jou. Wie bedacht is op Christus als Medestander, hoeft niet beducht te zijn voor zijn tegenstander. 2. Bij evangelisatie hebben wij vaak het beeld dat christenen de vragen stellen: mag ik je iets vragen? ‘Geloof je in iets of Iemand, waar kom je vandaan, waar gaat het naartoe, wat gebeurt er als je sterft etc.’ Maar Petrus keert het om. Het leven van een christen roept vragen op. En dan bedoelt hij niet: dat er iets niet klopt tussen wat je zegt en wat je doet, dat mensen het niet kunnen rijmen dat je christen bent en je zo opstelt. Nee, dat je levenshouding juist in positieve zin vragen oproept. Een aantrekkelijke levenswandel roept vragen op. Dat mensen nieuwsgierig worden: ‘Hé, wat bijzonder, ik wou dat ik dat houvast had, die geborgenheid, die zekerheid, dat geluk, een doel om voor te leven.’ Wees altijd bereid tot verantwoording! Dus niet af en toe, en als het je uitkomt, maar altijd; dat is nogal wat. Je hebt namelijk niets te verbergen, maar veel te delen. Christelijk geloof is niets geheimzinnigs en stiekems, iets voor ingewijden alleen. Het is goed nieuws om te delen. Wees constant bereid je te verantwoorden. Wanneer vragen op je worden afgevuurd, luister ernaar, neem een welwillende houding aan, neem rustig de tijd om die op je in te laten werken. Ook als het kritische en moeilijke vragen zijn. Nu lijkt het erop dat je op allerlei manieren moet weten je te verantwoorden, alsof je overal uit moet zijn, en overal antwoord op moet weten. Het kan zo zijn dat je kritiek ontkracht, dat je verdedigt en verduidelijkt. Maar daar gaat het zeker niet in op. Tenminste, het mag niet zo zijn dat jij als christen als betweter overkomt. De belangrijkste reden is ook hier, dat je Christus erkent als Heer en dat je laat merken dat je hart vol is van Hem. De bedoeling is dat tot uitdrukking komt hoe hoog je Christus hebt. Dat je Hem in je hart erkent en je door Hem laat gezeggen. Dat je in de kern van je bestaan in je persoonlijkheid door Hem geraakt bent. Een positieve grondhouding is de enig juiste verantwoording. Petrus is ook hier duidelijk een discipel van de Heer Jezus. Hij heeft Hem horen zeggen: ‘Bedenk wel dat jullie je verdediging niet moet voorbereiden. Want ik zal jullie woorden van wijsheid schenken die door geen van je tegenstanders kunnen worden weerstaan of weersproken’ (Luc. 21:15). Toen de apostelen in discussies werden gelokt en gevangen werden gezet, zeiden ze: wij kunnen niet nalaten te vertellen wat wij gezien en gehoord hebben (Hand. 4:20). Dat toont een afhankelijke houding en laat opnieuw zien hoezeer het gaat om de verhouding die je met Christus zelf hebt. Hij moet de ander overtuigen. Het hangt niet af van jouw verdediging. Het gaat niet om interessante discussies, ook niet om gelijkhebberij en het scoren van punten in een debat. Met een hardnekkig tegenstander redeneren heeft helemaal geen zin (Augustinus). Het kan zelfs zo zijn, dat na een gesprek het gevoel overblijft dat je hebt gefaald en je bent overtroefd. Dat falen kan ook tot een besef leiden dat je niet zonder God zelf kunt. Wij kunnen zelf geen mensen tot God brengen. Hij vraagt ook gebed, dat wij de ander in zijn handen leggen. De vraag is priemend, hoe groot jouw vertrouwen is dat God die ander tot inkeer kan brengen en tot inzicht dat Hij de Levende is! De nadruk ligt dan ook op het verantwoording afleggen van de hoop die in je is. Om de hoop, de verwachting van Christus in je te hebben, moet je je die eerst eigen hebben gemaakt. Je kunt het moeilijk doorgeven, als het niet iets van jezelf geworden is. Ik heb gesprekken gehad met gemengde stellen waarbij de christelijke partner mij als het ware liet verwoorden wat het christelijk geloof betekende, terwijl hij zich zelf op de vlakte hield. Dat is tot mislukken gedoemd. Als je de hoop op God niet in je hebt, kun je nog zoveel argumenten verzinnen, maar dat overtuigt niet. Christelijk geloof is meer dan verstand, theoretische verhalen zetten niet in beweging. Het is ook meer dan gevoel; de golf van gevoel kan immers alle kanten op. Meer dan moraal, een pakket normen en waarden. Nee, het is een zaak van je hart, dat geraakt is! Je kunt je kracht zoeken in het verdedigen van op zich goede regels, normen en waarden, moraal en vroomheid. Maar als de levende werkelijkheid van een verhouding met Christus zélf niet naar voren komt, is het krachteloos. Hoopvol zijn is voor Christus het allervoornaamste. Hoop is niet alleen toekomstgericht. Hoop is gericht op God in het heden, in het hier en nu. Die klemt zich vast aan wat Hij heeft gezegd: Ik ben met je, Ik ben voor je, wat er ook gebeurt. De christelijke hoop is gebaseerd op Christus’ levenswerk: zijn sterven en zijn opstanding. Anders gezegd: die toont de aanwezigheid van zijn liefde voor jou in het heden. Om met Paulus te spreken: de hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de Geest (Rom. 5:5). Die hoop doet leven, daar leef je van op, omdat zijn liefde het hoogste goed is, Gods trouw beter is dan het leven. Ik twijfel niet dat mijn vrouw van mij houdt, maar kan het niet wetenschappelijk bewijzen. Een bewijs van liefde is niet een bewijs dat stenen niet omhoog vallen. Mijn hoop is gegrond op een overtuigende liefdesverklaring. Vergelijk dat nou eens met de hoop die mensen aan zichzelf moeten ontlenen. Als het van jezelf afhangt, dan moet je in jezelf geloven, jezelf waarmaken, je eigen toekomst bouwen, je profiel uitdragen, je prestaties opbouwen, je leven zin geven. En als dat dan eens niet lukt of als het tegenzit, om wanhopig van te worden. Het moet in dit leven gebeuren. Wat een druk geeft dat. Dat kan een mens aanvliegen. Maar dan: hoop op God! Zal dat niet veel angst en onzekerheid wegnemen? Als je overal antwoord op moet hebben, dát vliegt een mens aan. Maar je bent niet overal uit, je worstelt zelf nog met levensvragen. Je zoekt je houvast niet in je eigen inzichten, je eigen kennen en kunnen, maar bij Christus in eigen persoon. Hoop op Hem vliegt je niet aan, maar geeft je vleugels. Ik heb niet alles onder controle, maar Hij wel. Hij is Heer en Meester, heel het wereldgebeuren heeft Hij in zijn hand. Hij is Heer en Meester, elke situatie in mijn leven kan Hij aan. Niet dat ik dat altijd zo voel, ik ben niet altijd hoopvol gestemd, maar omdat Hij het heeft gezegd. Telkens weer als er aan mijn zekerheid wordt gewrikt en getornd, moet ik naar dat fundament toe. Maar dat kan dan ook tegen een stootje. Als je telkens terugkeert, zal je vertrouwen vaster worden. Je kunt een discussie verliezen, je kunt geen weerwoord hebben, maar hoop op God laat juist zien dat je niet steunt op je eigen argumenten. Dat je het niet van jezelf verwacht, maar van Hem. En dat nemen ze nooit van je af. Christus zelf is je hoop, en je erkent Hem en eert Hem niet het meest als je een discussie wint, maar als je veel van Hem verwacht. Christelijk geloof verwacht niet zoveel van je eigen inzet voor God, maar van zijn inzet voor jou. Elke dag, ieder uur belooft Hij zijn steun. Zo eindigt Petrus: werp al je bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u (5:7)! U mag uw zorgen op Hem afwentelen, want u ligt Hem na aan het hart. Van Hart tot hart! Christus wordt het meest door jou geëerd als je op zijn hulp rekent en Hem eraan herinnert dat Hij zijn beloften nakomt. Door veel van Hem te verwachten, onderscheid je je van mensen zonder hoop en zonder God. Wat heerlijk ontspannend is het wat Petrus aanprijst! Dat past ook precies bij zijn opmerking dat je de ander moet benaderen met zachtmoedigheid en respect. Zachtmoedig is mild. De moed opbrengen om zacht te zijn en niet hard te oordelen en hard tekeer te gaan. Wie hard tekeergaat, overschreeuwt zichzelf. Wie zachtmoedig is, wil niet dwingen of forceren en zeker niet opdringen. Die laat ruimte aan de Heer zelf. De Heer Jezus noemt Zichzelf zachtmoedig. Hij gunt de ander de ruimte en gaat ook het gesprek met de ander aan. Wie Christus hoog heeft, wil zelf niet hoog van de toren blazen, maar naar Hem verwijzen. Wees zachtmoedig, dat is niet hooghartig; weet wie je zelf bent tegenover God. Je hoeft anderen niet op jouw niveau te brengen. Jouw taak is te laten merken dat je Christus hoog hebt. Vertrouwen op God maakt je mild tegenover een ander. Je hoeft jezelf en God niet te verdedigen. Je leeft zelf van genade; we moeten het helemaal van Hem hebben; dat maakt bescheiden en mild. 3. Heb je dat wel eens meegemaakt, dat andere mensen je niet moeten omdat je christen bent? Dat je vanwege je christelijke houding verachting oproept, minderwaardig wordt bekeken? Dat je met de nek wordt aangekeken omdat ze je zo bekrompen vinden en achterlijk? Een beetje honend doen: moet jij zondags naar de kerk als het zo warm is? Ben jij nog niet met je vriend of vriendin naar bed geweest? Ga jij nog trouwen in plaats van samenwonen? Ben jij altijd bij dezelfde man/vrouw gebleven?, wat saai, altijd hetzelfde, niet spannend, huisje-boompje beestje (vgl. De beststeller van Heleen van Rooijen, De ontsnapping). Vertrouw je nog steeds op die God, terwijl je zoveel moet incasseren...? Kortom, dat mensen je niet moeten omdat je goed wilt doen, af wilt gaan op wat God goed vindt. Dat mensen zich honend uitlaten over je goede christelijke levenswandel en instelling. Dat heet lijden verduren. Petrus is de laatste om daar zielig over te doen. Kijk er niet vreemd van op als je miskenning krijgt. Wie Christus erkent en hoog heeft, moet niet verwonderd staan als dat heftige reacties oproept. Wees eerder verbaasd als je nooit op tegenstand stuit! Hij noemt schrijnende situaties van personeel dat onrecht lijdt. Hij heeft het over vrouwen die het leven zuur wordt gemaakt, die worden getergd en geïntimideerd. Genoeg situaties te bedenken waaronder door een christen geleden wordt. Maar hij is het met de heidense filosofen van die dagen eens: het is beter leed te verduren, dan het onrecht met onrecht te bestrijden. Beter onrecht lijden dan onrecht doen. Houd het goede voor ogen. Wie kan je kwaad doen als je je inzet voor het goede doel? Ze kunnen niet aan jezelf komen. Lichamelijk en psychisch kun je worden afgemat en gekneusd, maar ze krijgen je innerlijk niet stuk. Als je lijden moet verduren, ben je te feliciteren, zolang je het goede Voorbeeld volgt. En dat goede Voorbeeld is Christus zelf. Hij zei het in de Bergrede: gelukkig wie vanwege Mij miskend wordt en genegeerd. Dat was overigens niet nieuw. In Psalm 34 heeft David het ook gezegd: de vrome ontmoet keer op keer rampen en tegenslagen, maar God trekt Zich dat aan, Gods kind kan veilig gaan. Ben je bereid om lijden te verduren als je vasthoudt aan het goede? Hoe ooit het goede doen, als Christus niet het goede voorbeeld geeft. Dat is Hem navolgen. Het wordt ingevuld vanuit 2:21. Dit is je roeping, in het spoor van Christus, achter Hem aan te gaan. Ook Christus heeft geleden omwille van jou, heeft spot en hoon over Zich heen gekregen. Treed dus in zijn voetsporen. Het is genade als je verdraagt wat je moet lijden voor goede daden. Het gaat om navolgers van het goede of van iemand die goed is geweest. Leven in verbinding met Hem. Het is blijk van genade als je lijden verdraagt terwijl je het goede doet. Goeden moeten onder de kwaden lijden. Als je lijdt omwille van de gerechtigheid en veel over je heen krijgt, of van onrecht wordt beticht. Als je recht wilt doen en stuit op het kromme om je heen, wat je met geen mogelijkheid recht krijgt. De weg van gerechtigheid, recht doen, is de weg van de meeste weerstand: opkomen voor de zwakke, rechtmatig en eerlijk verdelen, opkomen voor de arme, de verdrukte. In een wereld van onrecht recht zoeken. Die weg is zeer weerbarstig; daar zul je onder lijden. Zie het ook als een eer om voor Christus op te komen en te verduren wat je wordt aangedaan. Als je te kijk wordt gezet met het evangelie, voelen we ons naar. In de ogen van de mensen word je niet geacht. Maar bekijk het zo: God keurt je waardig om iets van Christus’ kruis in deze wereld te voelen en te dragen in je leven. Geloven in Christus moet ook de praktijkproef ondergaan. Als je in een situatie verkeert die door God is gewild, zul je meer gemotiveerd zijn te doen wat Hij in de gegeven omstandigheden wil. Onder alle omstandigheden zal de diepe verbondenheid met Christus iemand tot een gelukkig mens maken. Door consequent het goede voor te houden, kan het kwade worden afgeblokt. Samenvattend: Christus heel hoog hebben. Dat creëert vreemdelingen met uitstraling. Ontzag voor God verjaagt angst voor mensen. Wees niet bang, God zorgt! Leg hoopvol getuigenis af. Geen mens kan zonder hoop. Hopen omdat de liefde in je hart is uitgestort. Hopen op God die niet bedriegt. Wie lijdt, heeft het zwaar te verduren, maar dat weegt niet op tegen de erfenis die je staat te wachten. De zekerheid dat Hij is opgestaan en terugkomt, geeft nu kracht om te dragen. Zal er iemand zijn die via jou naar de nieuwe aarde gaat? En die straks tegen je kan zeggen: ik ben blij dat God je als middel hebt gebruikt om mij te bereiken. Prachtig dat jij geduld had en genoeg om mij gaf om met het goede nieuws over te brengen. Dat je Christus zo hoog had, was terecht. Niemand heeft ooit zoveel van mensen gehouden. Het mooiste geschenk dat je mij hebt gegeven, is dat jij mij hebt bekeken met de ogen van Christus. Dat wij Hem na aan het Hart liggen. Amen.